maandag 23 april 2012

Cox’s Bazar

Februari 2004

Drie dagen feest plus twee verlofdagen er achteraan genomen en even weg uit Dhaka. Het is Eid ul Azha, offerfeest en dan loop je in Dhaka tot je enkels in het bloed. Vijf dagen zijn te kort om naar Bali te reizen, maar Cox's Bazar is maar een uur vliegen. Eergisteren pas geboekt, alles vol behalve het vijfsterren Seagull hotel, met tennisbanen, fitness centre, sauna, massage, swimming pool, 4 restaurants, 5 bars ...... maar unfortunately alleen in de folder en ooit in de toekomst misschien ook in het echt. Maar de prijs is wel alvast vijf sterren: $60 per nacht.

Vanmiddag aangekomen. Je moet er geweest zijn zegt iedereen, maar nu ik het gezien heb weet ik eigenlijk niet precies waarom. Het stadje zelf is niet mooier of lelijker dan honderdduizend andere gore stinkende Bangladeshi dorpen en steden, de zee is "murky" (volgens Lonely Planet), het strand is bezaaid met afval en loerende Bengalen. Alles wat ze niet kennen, wat anders is dan hun eigen bekrompen wereldje, vinden ze raar en ze schamen zich dan niet om voor je te gaan staan en je met domme koeieogen aan te gapen. Het hotel ziet er uit als een kantoorgebouw in Hoofddorp: strak beton en blauw spiegelend glas. Een vloek in deze landelijke omgeving.


De mensen kopen hun offerstier al een week vantevoren en versieren hem met bloemenslingers en lopen er mee te pronken in de buurt. De stieren kijken er al net zo trots bij: "kijk eens wat baasje me mooi versierd heeft, kijk mij nou eens een mooie, flinke stier zijn". Nog geen idee wat ze op 2 februari te wachten staat: de mullah met zijn mes en rrrats .... keel door. Hé, wat doet het baasje nou?

1 februari
Net het vijfsterren ontbijt genoten: toast + gekookt ei + sinaasappeljam + thee of oploskoffie. Voor mij al sober maar voor Aziaten is dit echt geen eten. Er zijn gasten uit China, India en Sri Lanka. Beschaafde mensen anders hadden ze de tent afgebroken.

Avond: de hele dag op het strand doorgebracht. Toch wel redelijk schoon en mooi blauw/groen water. En als ze één ding goed kunnen hier dan is het mooie sierlijke boten bouwen. Een mooie gebogen lijn van een banaan en met een hoge boeg en achtersteven. Maar het mooiste zijn de figuren en patronen die miljoenen kleine krabbetjes maken met bolletjes zand dat ze uit hun holletjes naar boven halen. Of misschien zijn het wel drolletjes, maar ze maken er mooie figuren mee: vlinders, vogels, varens, bloemen, noem maar op.

Het strand. Plaats genoeg

sierlijke bananebootjes

Krabbetjeskunst op het strand


Cocosnoten gekocht van een jongen met zes tenen. Totaal twaalf dus. Inteelt?

Bengalen hebben geen badpakken, de vrouwen lopen gewoon met hun zondagse sari de zee in en de mannen met hun goeie terlenka broek. Het zit in de genen, dat zijn ze zo gewend. In de dorpen wassen ze zich ook altijd met de kleren aan. Stap stap stap het water in, water is hier overal, wat kloppen en wrijven, even kopje onder en klaar. En druipend nat naar huis en daar wat droogs aan.

's Avonds in ons restaurant van de vijfsterrenober een lepel eten over mijn broek gekregen. Het lukt ze nog niet eens om een kop thee fatsoenlijk te serveren: te laat en te lauw. Service, klantvriendelijkheid, beschaving, stijl, cultuur, gezelligheid, allemaal dingen die je hier niet moet zoeken. Dat hebben ze hier niet uitgevonden. Lompheid wel.

Zomaar tussendoor: een paar weken geleden las ik dat geleerden ontdekt hebben dat Chinese thee een goed middel is tegen geelzucht!!! Iemand commentaar?

Vanochtend, 2/2, met Selim's ricksja naar Himchuri geweest, een kilometer of 8 naar het noorden. Onderweg overal slachtpartijen met bloedende en spartelende stieren. Gruwelijk, Claudia durfde niet te kijken en verborg haar gezicht in haar pet. Maar als je vlees eet, zoals wij, moet je ook accepteren dat de dieren geslacht worden heb ik haar uitgelegd. En die stieren hebben waarschijnlijk een beter leven gehad dan het meeste vee in Nederland.

Himchuri stelde niks voor, een heuveltje waar je via een trap naar boven kon klimmen en over de zee uit kijken. En een waterval van anderhalve meter hoog met een zielig straaltje. Ik pis nog meer met een paar pilsjes op.

In Selim's ricksja
Op de weg terug, met de wind tegen, kon Selim het niet meer trekken en ben ik maar uitgestapt en ben gaan lopen. Langs de zee; nog wat foto's gemaakt van die mooie bootjes, een mooie grote schelp gevonden en een grote schildpad. Dood.
Deed me weer denken aan Claudia in Mozambique, die tegen Agira zei: "we've seen a turtle on the beach; thick and fat, just like you". Agira beantwoordt geen e-mails meer sindsdien.

Vanwege de feestdag duizenden Bengalen op het strand. En nog meer plastic zakken, bekers, flessen, snoeppapiertjes en andere tekenen van de vooruitgang.

Alcohol is verboden in Bangladesh, maar we hadden gehoord dat ze in de bar van het Sjaibal Hotel bier schonken. Dus wij vanavond in de ricksja naar Sjaibal om gezellig een pilsje te gaan drinken. En inderdaad: ergens in een donkere hoek achter op het terrein vonden we de bar: een ongezellig donker hok met twee dooie obers en twee dronken Russen die voor een kapitaal aan whisky zaten te verzuipen. En wij twee blikjes heineken voor 3 euro per stuk.

Het is nog winter maar de zon brandt fel. Mijn nek, mijn armen en mijn voeten zijn flink verbrand.

3 februari:
In de ricksja op weg naar de vissershaven kwamen we oog in oog met een bedelende olifant. Wat zijn die groot van dichtbij! En wij klein! Claudia was doodsbang. In de haven vanwege Eid veel boten, maar daarom weinig vis. Een mand vol haaitjes, een paar roggen en een marlin.
Daarna de boedhistische tempel, gebouwen niet indrukwekkend als je net terug bent uit Nepal, maar wel de oude beelden, boeken en meubels. Fotograferen verboden.

Bedelaar

Er is een Burmese markt in de stad waarvan ik me had voorgesteld dat ze mooie stoffen en handicrafts zouden verkopen; helaas: plastic rommel en kitsch.

's Middags met Claudia een lange strandwandeling gemaakt en samen met honderd Bengalen een blanke vrouw in badpak bewonderd. De Bengalen haar figuur; ik haar moed.

We hebben het eigenlijk wel gezien hier en gaan een dag eerder naar huis als GMG airlines plaats voor ons heeft.

Het hotel heeft er een nieuwe attractie bij: rennende, schreeuwende, op deuren bonkende kinderen. Tot elf uur 's avonds. En dan 's ochtends om zeven uur weer. Verblijf in een hotel vol Bengalen is geen vakantie. Stress en ergernis om de lompigheid in het restaurant, de lift, het strand. Al hebben ze wat geld en kunnen zich dit hotel veroorloven, het blijven primitievelingen.

4 februari: vandaag geen vlucht naar Dhaka. Morgen wel en we hebben onze vlucht geboekt. Lekker tennissen en een pilsje drinken op de club.
Selim heeft zijn best gedaan om een winkel te zoeken waar we een mooi souvenir, een mooie doek of zo, zouden kunnen kopen. Nada. Daarna heeft hij ons kilometers lang over zandpaadjes naar een dorpje aan zee gesleept om ons de visdrogerij te laten zien: honderdduizenden versgevangen babyvisjes, uitgespreid in de zon. Wat zout er over gestrooid, en daar overheen dan weer een laag vliegen. Smakelijk eten.

Mooi helder weer vandaag en mooi foto-licht. Helaas mijn camera niet bij me. Nog even aan het strand geweest, maar daar was het te koud vanwege de harde wind.

5 februari, 13:30:
Op het vliegveld, wachten op onze vlucht. Als alles op tijd is zijn we om 15:30 thuis en zitten we om 16:00 uur achter een pilsje in de club.

Bali

October 2005
We kunnen goddomme onze kont nog niet draaien of er gebeurt weer ergens een ramp. De tsunami vorig jaar toen we op Penang waren, en nu weer dit: de aardbeving in Kasjmir.

Ik was eigenlijk niet van plan deze reis weer wat te schrijven, maar Bali is toch ook wel waard om vast te leggen: aantekeningen voor het boek dat ik later toch wel niet zal gaan schrijven.

Het is anders dan ik verwachtte; bij Bali dacht ik altijd aan exotische palmenstranden, maar die vallen tegen. Het natuurschoon is ook niet echt spectaculair, het mooie van Bali zijn de cultuur, de relaxte sfeer en de vriendelijke mensen. En hun smaak en hun kunst, die je ziet in hun kleding en de architectuur van de huizen, hotels, winkels, café's, restaurants.
En de handicrafts: winkel na winkel na winkel propvol met mooie dingen van hout, steen, zilver, goud, bamboe, schelpen, leer, textiel. Artiesten zijn het, alles kunnen ze maken. 'Antiques made to order' hangt bij een winkeltje tegenover ons hotel. Duizenden werkplaatsen en winkels, hebben we gezien, allemaal tot de nok vol. Genoeg om voor de volgende 100 jaar alle toeristenkoffers te vullen.

Mandjes vlechten
Huisvlijt wordt met de paplepel ingegoten; meisjes vlechten van kleins af aan mandjes en decoraties van bamboe; voor elk huis, elke winkel, elk kantoor wordt elke dag een klein mandje met wat bloemen en eten en wierook op straat gelegd. Voor de goden; voor geluk. En het schijnt te werken want het gaat ze goed. Ik heb geen armoe of honger gezien en nauwelijks bedelaars, maar dat komt waarschijnlijk ook omdat de politie ze arresteert. Wij werden in Ubud een keer aangebedeld door een vrouw en een paar kinderen, maar toen er in de verte een politieauto aankwam, renden ze hard weg.

Het zijn hindoe's op Bali en de godsdienst speelt een veel grotere rol dan bij de hindoe's in India en Bangladesh. De goden bepalen hun leven van de ochtend tot de avond. Geen onderdrukking en sjagrijn, zoals bij islam, maar bloemen, versiering, lachen, feest. Waar je maar kijkt, overal, in elke straat, bij elk huis, staan mooi versierde tempels waar ze elke dag bidden en hun offers brengen. Op zondag zaten alle tempels vol en we hebben op verschillende plaatsen processie's gezien met een draak of een tijger voorop en honderd mensen in hun mooiste kleren met muziek er achteraan. Voor de meeste huizen staat op straat een hoge bamboepaal, mooi versierd met vlechtwerk en aan de voet een klein offertempeltje.

Op zondag hebben we een auto gehuurd en zijn van de kust omhoog gereden naar de vulkaan Batur. Onderweg gestopt bij het Bali Bird Park met tamme papegaaien en een pratende mynna, en bij de Elephant Cave met een tempelcomplex waar honderden mooi opgedofte mensen verzameld waren voor de zondagse ceremonies. De mannen zaten te praten en de vrouwen waren rijst aan het koken en zaten mandjes en draakjes te vlechten, die dan met rijst werden gevuld en aan de goden geofferd.


Eerst in bad en dan de tempel in
Nóg een tempelcomplex, met dezelfde feeststemming en toen naar boven gereden en geluncht met uitzicht op de vulkaan en het meer dat ernaast ligt.
Toen we na de lunch weer in Alex zijn auto stapten, had hij een cassette aangezet met Limburgse popmuziek: gekregen van een paar klanten.

Op de terugweg gestopt in Ubud, een mooi stadje tussen de bossen en rijstvelden met mooie hotels en cafe's en duizenden uitpuilende toeristenwinkeltjes. Duur is het allemaal niet: een mooie batik sarong kost euro 1,60. In roepiahs lijkt het meer: 20.000.

Alex was onze gids en chauffeur, een aardige jongen. De hele reis hebben we hem verteld hoe mooi we de cultuur van de hindoe's vinden en wat voor een hekel we hebben aan muslims; maar dat was een fout, want toen we hem tenslotte vroegen wat hij zelf was, was het verrassende antwoord: muslim.

Van de Nederlandse koloniale tijd is niets meer te zien, alleen wat woorden: kantor pos, notaris, famili, spinasi, kamar pas; en de leukste: kulkas. Ik denk tenminste dat dat onze koelkast is. Het klopt niet altijd neem ik aan, want met de naam KAK op een boot zal de kapitein wel wat anders bedoelen, net als de dikke vrouw die over straat schommelde met op haar hoofd een emmer waarop met grote letters stond: DIK.

Wie noemt zijn boot nou KAK?

Schattige, fotogenieke kinderen overal. Ze roepen je van afstand al toe: foto foto foto. En als je dan geknipt hebt: money money money.


Foto, foto, foto ............. money, money, money



Ons hotel in Tuban is gebouwd in antieke Balinese stijl, met overal gebeeldhouwde decoraties en mooi aangelegde tuinen met vijvers en bloemen. Lekker rustig is het, het is sowieso al geen toeristenseizoen en bovendien hebben veel mensen hun reis afgezegd vanwege de bommen van 1 october. De aanslagen van 2002 en van 1 october hebben veel schade aan de toeristenindustrie toegebracht: veel bedrijven failliet en veel mensen werkloos.



De toeristen zijn belangrijk voor Bali en ze doen alles om je een gevoel van veiligheid te geven: overal veel politie, ook op het strand, liggend onder een boom, kijkend naar de meisjes. Zware job voor die jongens.



Die aanslagen waren in Kuta, de Costa Brava van Bali, over het strand 20 minuten lopen van Tuban. Een heel andere sfeer daar: dure winkels, bars en disco's. En lawaaiige jeugd en meisjes in kleine bikini'tjes op straat. En helaas ook een McDonalds, dus je kunt wel raden wie er binnen vijf minuten achter een Happy Meal zat. En wie zich daarbij zaten te generen. Het is moeilijk op vakantie met een kind van 8. Andere interesses. Zij houdt van strand, zwemmen, olifantensafari en desnoods een dierentuin. En ze HAAT tempels. Kwestie van een tempelscomplex?
Tempelcomplex
Op dinsdag Alex weer gehuurd voor een compromisprogramma: olifantensafari voor Claudia en een tocht naar de berg Agung en het grootste tempelcomplex van Bali voor ons. Viel wat tegen, in Thailand en Nepal zijn de tempels veel mooier. En de berg hebben we niet eens gezien want daar hingen wolken voor. Op de terugreis een tempel + grot met miljoenen vleermuizen bezocht. Apart was een vrachtautootje met varkens waar we achter reden. Verpakt in kokervormige manden, het snuitje stak er aan de voorkant uit en aan de achterkant de staart. Een mandje varken, je kon ze er zó mee weglopen. Als je sterk genoeg was tenmiste, want het waren vette varkens, op weg naar de slager waarschijnlijk. Twee hoog opgestapeld op de laadbak, in die hitte, ze konden geen vin verroeren. Arme beestjes.

Mandje big
Senek fruit meisje
Lekker fruit overal, sommige vruchten had ik nog nooit gezien. Een meisje op het strand verkocht me senek fruit. Claudia vond later dat de schil op een slangenhuid leek; het zal dus wel snake fruit zijn.

Niets vervelends meegemaakt? Nauwelijks. Ze waren wel overal wat al te opdringerig met hun spullen; of die stomme taxichauffeur die in Kuta verdwaalde waardoor we na 20 minuten nog verder van huis waren dan waar we ingestapt waren. We zijn toen maar uitgestapt en naar huis gelopen. Onderweg in een van die steegjes restaurant McWilliams gezien, waarbij de W de omgedraaide McDonalds M was. Leuk gevonden.

Claudia heeft op het strand haar haar laten vlechten, en toen ik aan de juffrouw vroeg of ze dat bij mij ook kon doen, wees ze meteen op mijn kruis en zei: "daar wel". Ondeugende meid. Waarschijnlijk heeft ze dat flauwe grapje al duizend keer gehoord van oude kale kerels.

We nemen er wel weer wat van mee, de koffer zit vol met houtsnijwerk, sarongs, T-shirts en andere troep; en vier mooie schilderijen voor samen nog geen 80 euro: een modern schilderij van een Balinese dans, twee vogelschilderijen en een met een heel fijn penseeltje geschilderde godin Saraswati; die laatste omdat we elkaar in januari 1995 op Saraswati Puja hebben ontmoet.

Ik had ook een paar mooie kleine stukjes koraal mee naar huis genomen, gevonden op het strand, en wilde er door een juwelier mooie hangers van laten maken. Maar thuis kon ik ze nergens vinden en toen ik Ruby vroeg of ze ze misschien tegengekomen was, had ze ze IN DE VUILNISBAK GEGOOID!!! En die was al opgehaald.

Had ik al verteld over die spetterende zonsondergangen? Ons strand ligt op het westen, dus als we om een uur of zes op een terrasje aan het strand zaten met een gin-tonic in de hand, dan konden hem live recht voor ons helemaal de zee in zien zakken.
Prachtig allemaal, Bali krijgt een dikke 8 als vakantieland. Maar als ik moest kiezen ging mijn stem toch naar Nepal. Of Thailand. En ik heb veel mooiere stranden gezien in Kenia, Zanzibar en Mozambique.

En als je dan tenslotte in Singapore weer in het vliegtuig naar Dhaka stapt en je al die Bengalen hoort en ziet en ruikt, is de vakantiestemming weer helemaal weg en heeft plaats gemaakt voor de vertrouwde afkeer van Bangladesh en zijn lompe bevolking.
Hopelijk nog maar een paar maanden. 

Lalmonirhat

30 augustus 2005

Nieuw project: de financier Asian Development Bank noemt het EFDRP, part E en onze opdrachtgever, de Bangladeshi overheid noemt het RFDUPIP-04. (Bangladesh is wereldkampioen in projectafkortingen.) Whatever, 404 kleine projectjes over het hele land verspreid en ik moet het komende half jaar overal een paar keer naar toe. De eerste trip was twee weken geleden naar Rajbari, wat naar het zuiden toe, en afgelopen maandag en dinsdag (29 en 30/8) heb ik met mijn deputy Rangpur en Lalmonirhat bezocht, in het noorden van het land. Vroeg vertrokken en na ongeveer zes uur rijden ingecheckt in het Parjatan motel, top of the range in Rangpur. Dat ken ik nog van tien jaar geleden en het ziet er nog hetzelfde uit als toen, alleen smeriger en muffer.

Eerst maar eens geluncht. Dat duurde lang, het is tenslotte een staatsbedrijf en het personeel zijn dus ambtenaren. Iemand moet de obers geleerd hebben dat ze bij de tafel van de gasten moeten blijven staan. Het eten was niet slecht, maar had nog beter gesmaakt als ze de ober ook hadden uitgelegd dat hij niet in zijn neus moet staan peuteren.

Na de lunch een paar werken in uitvoering bezocht: Station Road in het centrum en verder een serie kleinere weggetjes verspreid over de stad en omgeving. Een vergadering met de Pourashava Chairman (= burgemeester, link type) en de aannemers en iedereen uitgelegd wat er van ze verwacht wordt.  Site visits zijn vermoeiend dus vroeg naar bed. A/C op de kamer, dat wel, maar zo’n ouderwetse, alsof er een tractor op je kamer staat te knetteren. En dan moet je kiezen: van de herrie niet slapen of van de hitte. Ik koos voor herrie.



De volgende dag naar Lalmonirhat, via de brug over de Teesta. Niemand ooit van gehoord neem ik aan, maar minstens tien keer groter dan Rijn en Maas samen. Eerst een vergadering met de Pourashava Chairman (ook een boef natuurlijk, maar met een paar menselijke trekjes) en zijn staff en de aannemers, en toen eerst een paar wegen bekeken. De U in RFDUPIP staat voor Urban, maar er was niet veel urbans aan: allemaal smalle ricksja weggetjes door de rijstvelden en kleine dorpjes rondom Lalmonirhat. Mooie groene omgeving, een verademing om uit die stinkstad Dhaka weg te zijn. Rijstvelden, bamboebosjes, boerderijtjes, koeien, geiten, en veel kinderen. Maar de grootste bezienswaardigheid was ik zelf, er komen daar niet vaak Bideshi’s (buitenlanders) en de dorpjes liepen uit.


Het platteland van Bangladesh: rijstvelden en bamboebosjes



Stadsverkeer?

Is dit een urban road?



Hè???? Zijn we hier in België?

Bangladeshi's zijn gastvrije mensen en je komt bij die field visits niet weg zonder lunch. Afgehaalde pakketjes dit keer en toen die na lang wachten eindelijk arriveerden kreeg ik het smerigste eten geserveerd dat ik in Bangladesh ooit heb gezien. Rijst en dal en verder blubberige, rubberachtige vleessmurrie. Uit beleefdheid heb ik wat rijst met dal genomen, maar ook die dal was smerig, met graten en kieuwen en schubben en visse-ogen er in en weet ik wat voor viezigheid nog meer. De rest van het gezelschap zat te smullen alsof ze in de Ritz aan de zalm en kaviaar zaten.

Terug naar huis, maar niet dan nadat ik beloofd had om snel weer terug te komen.

Mijn deputy begeleidde me en vroeg of we op de terugweg even zijn zwager op mochten zoeken: een overste in de army. Dat mocht, maar ook daar kom je natuurlijk niet weg zonder te eten. Even goeiedag zeggen is er in Bangladesh niet bij: zitten, wachten en eten. Dus nog een lunch erbij gepropt (wel een lekkere) en eindelijk op weg naar huis.



Halverwege op de thuisreis ligt Bogra en een andere zwager had daar twee weken geleden een 4-sterren hotel geopend en ik kwam er niet onderuit om ook daar even voorgesteld te worden. Indrukwekkend hotel, dat wel, en het kostte wat moeite, maar ik heb een derde lunch kunnen vermijden.

Verder naar Dhaka, het was al laat en de rest van de trip hebben we in het donker gereden. Niet aan te bevelen. Overdag is het verkeer al angstaanjagend maar in het donker is het echt ijzingwekkend. Ik heb maar zo weinig mogelijk naar buiten gekeken, maar dat doe ik nooit meer. Toch heelhuids thuis gekomen, om 10 uur, de kleintjes sliepen al. 

Istanbul en Boekarest

februari 2005

Ik moest even naar Boekarest, vier dagen reizen voor een gesprek dat ruim een uur geduurd heeft. Het gaat om een wegenbouwproject en de klant wilde de kandidaat-supervisers interviewen en daarom moesten van twee bedrijven elk 7 mensen van over de hele wereld vandaan even op en neer naar Roemenie. Bij het vliegveld in Dhaka een rij van honderd meter woedende Engelsen voor de ingang. Mochten niet naar binnen. Gelukkig werden alleen British Airways passagiers tegengehouden en mocht ik met mijn Emirates ticket wel naar binnen. Waarschijnlijk terugpesten, want op initiatief van het UK wordt er op het moment in Washington een vergadering van donorlanden gehouden met de bedoeling om de geldkraan voor Bangladesh dicht te draaien tot de regering wat aan de corruptie en het muslimfundamentalisme doet. Een half jaar geleden is er een nooit opgeloste granaataanval gepleegd op de Britse ambassadeur en men is not amused. Van mij hebben de Engelsen gelijk: kraan dicht.


De Emirates hebben wat nieuws: een camera die naar beneden kijkt en de beelden kun je op je eigen videoschermpje zien. India was vlak en groen, Pakistan ruig en bruin, Iran ook, met sneeuw op de bergtoppen. Naar het noorden toe werd het steeds witter en ook heel Turkije lag onder een dikke laag sneeuw tot bijna in Istanboel.

Istanboel ligt er vanuit de lucht gezien prachtig bij daar aan de Bosporus, maar op de grond was het pet: miezerig en koud, een graad of 10. In Dhaka was het 32 graden. Ik moet bijna 24 uur wachten op mijn vlucht naar Boekarest en heb een hotelkamer in het oude centrum genomen, vlak bij de Aya Sofia en het Topkapi paleis.


De volgende ochtend ontbijt (met Douwe Egberts koffie) in het dakrestaurant met mooi uitzicht over de Bosporus. Als het niet zo hard geregend had tenminste, want alles was grijs en je zag bijna niets. Daar baal ik wel van, ik zit drie minuten lopen van de Aya Sofia, maar het regent te hard en ik heb geen jas bij me. Het is 9:15 nu, ik wacht nog even of het droog wordt, anders laat ik me toch maar nat regenen. Die kans om een van de wereldwonderen te zien kan ik toch niet voorbij laten gaan.

De vlucht van Dhaka naar Dubai zit altijd vol Bengaalse gastarbeiders. Primitieve types, schrapers en rochelaars; geen wassers. De stewardessen zijn er op ingesteld en maken om de vijf minuten met een vies gezicht en plastic handschoenen aan de WC's schoon. En moeten blijven schreeuwen om iedereen in hun stoel te houden tijdens de landing. Mijn buurbengaal sprak Engels en had al vaker gevlogen, een aardige jongen die een plastic- en kaarsenfabriekje had in Oeganda.

Van Dubai naar Istanboel zat ik naast twee Kosovaren. Ook aardige jongens, maar ook geen liefhebbers van zeep. De een had een broer in Tilburg en kwam regelmatig in Raamsdonksveer! Ze deden zaken in metaal, maar deden daar wat vaag over.

Om een uur of tien toch maar de stromende regen ingestapt, me doornat laten regenen, daarna een paraplu gekocht en om even op te drogen me een tapijtwinkel binnen laten lokken waar de verkoper alle trucs uit de kast haalde om me voor 3000 euro een handgeknoopt zijden tapijtje aan te smeren. En toen het een half uur later droog was een rondje om de Aya Sofia gemaakt. Halverwege me door Meblut nog een keer laten overhalen een tapijtwinkel binnen te gaan (vijf minuten, niets kopen, alleen thee drinken) en er daar nog bijna een gekocht ook; bijna. ik ben intussen een expert in Turkse tapijten. Voordat ik met mijn rondje om de AS klaar was heb ik me nog minstens vijf tapijtverkopers van het lijf moeten houden.



De Aya Sofia
 Ik had altijd het idee dat de AS midden in het zicht op een groot open plein lag, maar hij is tamelijk ingebouwd. Je voelt de duizenden jaren geschiedenis op dat stukje Istanboel in de lucht hangen en het barst er van de antieke paleizen en moskeeen en basilieken; als ik meer tijd heb moet ik nog eens terug en alles eens goed bekijken. Ondanks het slechte weer sjouwden er honderden toeristen uit de hele wereld rond.

Ik had bij een wat gladde Ahmed op het vliegveld hoteltransfer geboekt en tot mijn verbazing werd ik ook echt afgehaald. Wat te laat, en daarna moesten we bij een ander hotel nog eens 20 minuten op een andere gast wachten, zodat de tijd krap werd, maar toch.

SNEEUW in Boekarest en het vroor. Daar had ik niet op gerekend, ik was niet gekleed voor Siberie. Een mooi modern vliegveld, dat had ik ook niet verwacht. De collega's zaten op me te wachten in het Ibis hotel en die avond hebben we ons gesprek van de volgende dag voorbereid. Modern hotel, vlotte jeugdige bediening, er is veel veranderd sinds ze Ceaucescu in december 1989 een gaatje in zijn kop hebben geschoten.

De hele nacht en de hele volgende dag sneeuwde het door, er lag minstens 40 cm en het werd steeds kouder; ik had een zomerjack bij me en een dunne wollen trui, maar daar waaide de ijzige wind dwars doorheen.

Het interview zou om 11 uur in het Roemeense ministerie van verkeer en waterstaat beginnen en we waren inderdaad om 12:45 aan de beurt. Ik eerst, een hele rij vrouwelijke ingenieurs tegenover me en mevr. Ingenieur Clobakovski stelde de vragen. Onze groep was uit Bangladesh, Polen en Griekenland aan komen vliegen; de experts van onze Duitse concurrent kwamen o.a. uit Jamaica, Mozambique en India.



Ceaucescu's grootheidswaanzin


Na het interview samen met een collega een taxi genomen naar het (grootheids)waanzinnige paleis van Ceaucescu, na het Pentagon het grootste gebouw op aarde. Er was een hele stadswijk voor platgewalst. Vandaar teruggelopen naar het hotel. Mooie stad, een beetje de sfeer en allure van Parijs. Maar wat was het koud. In een soort McDonald heb ik mijn bevriezingsdood even kunnen uitstellen met een beker warme chocola. Alles nieuw en modern, maar de wc had er de vertrouwde geur van Bangladesh.

Natuurlijk konden we een taxi nemen maar ik wilde me niet laten kennen, dus terug Siberie in. De Roemenen allemaal in dikke jassen en bontmutsen op; ik met mijn windjackje, regelrecht uit de tropen.

Veel marktkraampjes overal waar allerlei kitsch werd verkocht. Bedelende straatkinderen ook, mooi gerestaureerde oude gebouwen, glanzende nieuwe winkels, banken, verzekeringsbedrijven. De Roemenen hebben ook kennis kunnen maken met de cultuur van het vrije westen: casino's, autodiefstal, misdaad, seksindustrie, kinderprostitutie.

Ik zakte regelmatig tot mijn enkels weg in de natte sneeuw, mijn sokken waren nat, mijn handen voeten waren ijsklompen. Ik heb het niet gehaald tot het hotel, de laatste kilometer hebben we een taxi genomen.

Intussen zit ik op het vliegveld van Istanboel te wachten op mijn vlucht naar Dubai en Dhaka.

En de rest was ook niet erg spannend meer; ik landde precies op tijd in Dhaka en ontdooi weer langzaam bij een temperatuur van 30 graden.

PS: iemand vertelde me dat je vanaf Schiphol voor 39 euro naar Istanboel op en neer kunt vliegen en dat er all-in packages verkocht worden van 99 euro voor retourvlucht plus 3 nachten hotel. DOEN!! 

Tsunami op Penang

December 2004.


Dit was de trip, de maand, het jaar van de tsunami, de grootste ramp ooit met misschien wel 200.000 doden. Penang ligt vlak bij het epicentrum, maar de noordelijke punt van Sumatra beschermde ons en daarom was de golf hier veel lager dan bv in Phuket, dat maar iets naar het noorden ligt. Enkele tientallen dode vissers en strandgangers, o.a. vijf kinderen uit één gezin, maar geen tienduizenden zoals in andere landen. Bij ons hotel is niets ergers gebeurd dan dat de zee de tuin en het zwembad binnenstroomde en we twee dagen niet konden zwemmen. En wij hebben de ramp zelfs helemaal gemist want toen het gebeurde liepen wij te winkelen in Georgetown en we hoorden het pas uren later. Maar ondanks dat er in ons hotel geen slachtoffers waren, was de sfeer daarna bedrukt en de feestelijke vakantiestemming voorbij. En kijkend naar CNN en de BBC werd steeds duidelijker wat er gebeurd was en wat bij ons had kunnen gebeuren en wat voor een geluk we hadden gehad.

Ik moest echt even weg uit Dhaka, de dagelijkse stress ging op mijn maag en mijn zenuwen en we hadden spontaan een trip geboekt naar de enige bestemming die nog vrij was: Maleisie; vijf dagen Penang en drie dagen Kuala Lumpur.

Het was lekker weer in Penang en 24 en 25 december hebben we vooral lui aan het strand en in het zwembad gelegen om bij te komen van de gemiste reisnacht. En 's avonds het kerstdiner genoten onder de palmen aan de rand van het zwembad, met live kerstmuziek van de plaatselijke Gert en Hermien.



Kerstmis aan het strand
Wat een fijn land, bijna zo fijn als Thailand: alles functioneert, is schoon, geen gerochel en gespuug  en overal vriendelijke, beschaafde mensen; ook muslims, maar van een tolerant soort die b.v. anderen graag een pilsje gunnen (al laten ze je daar wel dik voor betalen). Maleisiers zijn een mix van oorspronkelijke Maleiers (60%) en import Chinezen (22%) en Indiers (14%). Ze bemoeien zich niet veel met elkaar geloof ik en mengen nauwelijks onderling maar ondanks verschil in ras, cultuur en godsdienst leven ze harmonieus samen. Op straat zie je naast elkaar Chinese boedhistische meisjes met korte rokjes en strakke topjes,  Maleise muslim meisjes met hoofddoekjes en Indiase hindoe dames met sari's. Leuke taal hebben ze ook en zo makkelijk: snek is snack, tren is trein, stesen is station, saiz is size, polisi snapt iedereen ook wel en wat denk je dat ais krim is ........? Juist.

In ons hotel zitten Europeanen (o.a. Nederlandse OAD toeristen) Australiers en Aziaten, meest gepensioneerden en gezinnetjes met kinderen. De meesten lagen de hele dag te zonnen of op en neer te racen met een waterscooter. Dat soort vakantiegangers bedoel ik.
De meeste Aziaten zijn kleine magere mensjes, maar ook hier is obesity een probleem aan het worden. Er waggelen enorme vleesbergen rond voor wie eten de belangrijkste levensvervulling schijnt te zijn. Bij het buffet op kerstavond zat aan de tafel naast ons een Chinees gezinnetje, papa, mama en twee meisjes: alle vier ronde tonnetjes. En alle vier de hele avond met verbeten, gulzige gezichten en zweet op het voorhoofd op en neer naar het buffet blijven hobbelen; geen tijd om samen te praten, te luisteren naar de muziek, te genieten van de kerstsfeer of het lekkere eten, maar hard werken, proppen en schrokken. Mama hield het het langste vol. Ruby en Claudia eten nauwelijks meer dan een hamstertje en zaten het vol ongeloof te bekijken; en toen wij dachten "nou zal ze toch wel volzitten, als ze nou nog wat eet dan knapt ze", hobbelde ze met een laatste krachtsinspanning nog één keer naar het buffet en kwam terug met een afgeladen bord vol crème taart. En verdomd, het kostte wat moeite, maar ze werkte alles weer weg. Ik hoor ze zó tegen haar vriendinnen zeggen: "ik snap niet waar ik dik van word, ik eet bijna niets".



De dames bij het kerstdiner

 Tweede kerstdag, ik werd wakker van een trilling en dacht aan een lichte aardbeving, maar bij het ontbijt was ik het alweer vergeten. We namen om half twaalf een taxi naar Chinatown in de hoofdstad Georgetown, maar daar was wegens kerstmis bijna alles nog dicht, en toen zijn we maar een shopping mall binnengelopen en hebben Claudia daar happy gemaakt met een McDonald happy meal en ons zelf met een bordje Chinese noodles. En toen weer terug naar ons hotel in Batu Ferringhi, normaal een ritje van 15 minuten, maar in Georgetown waren al een paar straten afgesloten en verderop kwamen we in Penangs grootste file aller tijden terecht. Wij hadden geen idee wat er gebeurd was, een gebouw ingestort dacht de chauffeur, maar langs de hele kustweg reden politie, brandweer, ambulances af en aan en op verschillende plaatsen stonden duizenden mensen naar de zee te kijken. Ik moest weer denken aan de trillingen van die ochtend en vroeg me af of het misschien een tsunami was geweest. Toen we eindelijk in het hotel aankwamen kregen we het te zien en te horen: een hoge golf, vijf meter hoog zeiden ze, was over het strand geslagen en de hoteltuin ingestroomd. Alles smerig en modderig maar geen gewonden. CNN en de BBC lieten intussen zien wat er in Azie gebeurd was. De lichte trilling die ik gevoeld had was de zwaarste aardbeving van de laatste veertig jaar: 9 op de Richter schaal, net ten noorden van Sumatra. Intussen laat de TV de schade zien in India, Sri Lanka en Thailand. Ook op Penang zijn enkele tientallen mensen verdronken, maar het ergste in ons hotel is eigenlijk nog dat het zwembad even buiten gebruik is.



Vóór de tsunami ...

... en erna.

27.12
Over het lege strand gewandeld. Omgeslagen boten, visnetten, wrakhout, kleren en schoenen. Een oude visser, nog helemaal overstuur, probeerde ons te waarschuwen en uit te leggen dat er op die plek een paar vissers verdronken waren.
Vandaag hebben we eens niet in ons viersterren hotel gegeten, maar in het dorp: een locale lunch voor €0.50 en chinees dinner voor €2.00.

28.12

Laatste dag, de verplichte attracties spice garden en butterfly farm nog snel even bezocht en daarna een vissersdorpje waar de killer wave veel schade en een paar doden veroorzaakt heeft. En uit een viskwekerij waren tienduizenden vissen ontsnapt die nu dood, rottend, stinkend ronddreven. Geen idee waarom ze dood waren en niet vrolijk de wijde wereld in waren gezwommen.

Een paar ramptoeristen liepen rond met een kaart waarop aangekruist was waar overal mensen verdronken waren.

29.12: met een paar kilo's meer dan bij aankomst (schoenen, kleren, doeken en vet) weer naar het vliegveld vertrokken waar onze vlucht vertraagd was. Ook een gevolg van de tsunami want ons vliegtuig moest uit Medan komen en daar was het vliegveld tijdelijk gesloten; voor de hulpverlening neem ik aan. Een dikke twee uur later konden we met een andere vlucht toch in KL komen. 


De Petronas towers

Warme hap in China Town
KL is een moderne stad vol wolkenkrabbers, luxe hotels, banken, glanzende kantoorgebouwen en shopping malls. We hebben niet veel gedaan daar, de Petronas Towers bekeken, wat rondgekeken in Chinatown en een erg kitscherig pretpark bezocht. Alle officiele oudejaarsfeesten en het vuurwerk waren afgelast en wij lagen met oudjaar om 11 uur al in bed.

1.1
Ik had me de laatste maanden vaak zwak en moe gevoeld en me zorgen gemaakt over mijn gezondheid. Maar zogauw ik Bangladesh uit was viel alles van me af en voelde ik me weer fit en gezond. Tot ik bij het inchecken voor de vlucht naar Dhaka de rijen Bengaalse gastarbeiders zag staan en een spontane weerzin in me opkwam om naar dat smerige land en zijn lompe inwoners terug te gaan. Malaysian Airlines was zo vriendelijk om ons in de business class te zetten en dat verzachtte de pijn wat tot daar een heer zijn schoenen en sokken uittrok en iedereen de hele vlucht van vier uur lang liet genieten van een vleugje zweetvoetenparfum. Een andere Bengaalse Einstein stond zo'n tien seconden voor de landing in Dhaka op van zijn stoel en liep doodleuk naar de WC toe; toen wist ik dat ik weer bijna thuis was.

Voetenbadje in Sunamgonj

November 2005

In Moulvibazar zit ik. Dat weet je natuurlijk niet te liggen, maar dat zal ik je dit keer vergeven, want dat ligt wel erg ver in de binnenlanden van Banglabush. Het is een van de 55 Pourashava's (gemeenten) waar wij projecten uitvoeren en ik moet overal af en toe mijn gezicht laten zien en ze een beetje streng toespreken om te voorkomen dat ze met de pet gaan gooien naar de kwaliteit van het werk.


Verder stelt het helemaal niets voor, het kost alleen veel tijd, zes uur rijden enkele reis, maar ik ben tenminste weer een paar dagen weg uit Dhaka, die gore, lawaaiige, drukke stinkstad.
Bij die site visits word ik altijd ontvangen als een filmster; op de foto met de burgemeester, bloemen, erediners en afscheidscadeaus.


Ik schrijf dit liggend op een bed in het regeringsguesthouse voor bezoekende politici en andere VIP's.  De VIP kamers liggen op de eerste verdieping, één trap omhoog, en toch zijn ze daar een lift aan het bouwen. Voor het geval de prime minister misschien ooit eens zou komen, want die heeft wat last van een knie, daarom. Dat is pas eerbied voor het gezag! Eat your heart out Balkenende!


De meeste Bangladeshi's in Engeland komen uit deze buurt. En zogauw ze daar genoeg geld gespaard hebben bouwen ze een huis in hun geboortedorp. London houses noemen ze die hier en je ziet ze overal: protserige, kitscherige, bontgekleurde suikertaarten. Een gebrek aan goede smaak kun je ze niet ontzeggen.


De volgende ochtend vroeg naar Sunamgonj, aan de rivier de Surma. Nóg drie uur verder. Noordelijk kan niet meer in Bangladesh. De burgemeester was er niet, moest met zijn vrouw naar het ziekenhuis, maar ik werd weer netjes ontvangen en toegesproken door zijn plaatsvervanger. De officemanager commandeerde de bedienden en keek toe of alles netjes verliep: daar nog een appel, hij nog een plakje cake, staan de kopjes netjes? Wat zie ik daar? Koffie zonder voetenbadje? Ik zweer het: hij pakte het kopje op, schonk wat op het schoteltje en zette het weer netjes voor de gast neer. Een andere official stond er bij in zijn neus te pulken, bolletjes te draaien en de kamer in te schieten. Andere Länder, andere Sitten. 

Flinke meid. Hele dag beton sjouwen voor 50 cent

Nieuwe betonnen weg in Sunamgonj

Ik heb altijd gedacht dat die omgeving heuvelig was, maar het kan bijna niet onheuveliger: grote watervlaktes overal en het land zo plat als een pannekoek.
De omgeving van Sunamgonj: platter kan niet.
Terwijl we de werken bekeken hoorde ik dat de burgemeester een dichter was, dat het een eerlijke man was en dat hij de eigenaar was van zo'n beetje de hele stad en omgeving. Ik had hem toch graag ontmoet. 

Gekwaak en gebrul aan het kikkermeer

Augustus 2006.

Dit is het verslagje van onze trip naar het ZW van Oeganda. Inge was twee weken op bezoek, dus: een week vrij genomen, Claudia uit school gehaald en met z'n allen in de jeep naar de Rwenzori Mountains, de Crater Lakes, Kibale Forest, Queen Elizabeth Park en Lake Mburo.
Zondag 13 augustus vertrokken we met Francis aan het stuur naar Fort Portal, aan de voet van de Rwenzori Mountains. Een dikke 300 km, prima weg, groene heuvels, een paar stadjes, wat dorpjes, hier en daar een moeras en af en toe een overgebleven stuk rain forest. De Uganda Travel Guide mee en een tent voor nood, als de hotels vol zouden zitten.

Vertrek 8:30 uur, aankomst 13:00 uur: mooi op tijd voor de lunch in het Rwenzori View Guesthouse. Mooi uitzicht, netjes schoon, leuke sfeer, gerund door Ineke uit Nederland. En minstens de helft van de gasten waren ook Nederlanders, o.a. een rugzakstel uit Den Bosch dat we de dagen daarna steeds weer tegen zouden komen.

In Ineke's Rwenzori View Guesthouse

Fort Portal zelf heeft weinig te bieden, dus na de lunch eerst maar eens een stuk rijden, de Rwenzori mountains in: niet spectaculair mooi, maar mooi. Leuke wandelroutes ook, maar daar kreeg ik Ruby en Claudia niet enthousiast voor, en eerlijk gezegd was mijn conditie daar, na 5 weken luieren, eten en drinken tijdens de zomervakantie in NL, ook niet goed genoeg voor. 


De Rwenzori foothills


Op de weg terug de Amabere caves + waterval bezocht. Volgens de gids een van Fort Portal’s hoofdattracties, maar die had ik wel gemist willen hebben. Er hoort een rare legende bij van een wrede koning en een knappe prinses met afgesneden borsten, en die hangen nu in die grot. Die borsten. Dat wekt verwachtingen, daar wil je natuurlijk wel even een stuk voor door de bush lopen, maar er was weinig erotiek te beleven in die grot; druipstenen waren het en als je het mij vraagt leken die meer op de uiers van een hond.

De omgeving is ook beroemd om zijn crater lakes, tientallen, overblijfselen van vulkaanuitbarstingen van 6 - 8.000 jaar v. C., op de geologische tijdschaal ongeveer vijf minuten geleden. Maar ja, ook daar moet je voor lopen en het was een warme dag, dus na lake nr. 1 was er met Claudia geen land meer te bezeilen: dan maar terug naar het guesthouse en een koud pilsje drinken in de tuin.

Claudia bij een van de crater lakes

Midden in Afrika zaten we ’s avonds met alle Hollanders samen te eten aan één grote tafel; dat was wel héél erg gezellig, té gezellig als je het mij vraagt. ‘s Ochtends bij het ontbijt nog eens hetzelfde.

Na het ontbijt innig afscheid van Ineke en op weg naar het CVK resort aan de oever van Nyabikere Lake (“kikkermeer” in de lokale taal), vlak bij de ingang van Kibale forest. Dat resort was me aangeraden door een Duitse kennis, maar dat moet een vergissing zijn geweest, want het was wel erg lokaal-basic: nul sterren.

’s Avonds snapten we waarom het meer zo heet: de hele nacht een oorverdovend gekwaak en gebrul van miljarden kikkers; Ruby kon niet eens mijn snurken horen.

Het amusement werd verzorgd door een groep Italiaanse toeristen die daar kampeerden; die waren bijna net zo leuk als de troepen apen in de bomen langs het meer.
Inge wilde eigenlijk naar de gorilla’s, maar die waren vijf maanden tevoren al volgeboekt. Als troostprijs hadden we voor die middag een chimpansee trek besproken in het Kibale forest: @ US$ 95/pp met een gids het bos in op zoek naar chimps. Sukses niet gegarandeerd. Bij aankomst in het bezoekerscentrum vonden ze Claudia te jong, die mocht niet mee en ik meldde me vrijwillig als oppas. Om een uur of twee sjokten Ruby en Inge achter de gids aan het bos in, en verdomd, na een paar uur zoeken vonden ze ergens hoog in een boom een groep chimps. Het genoegen was beperkt: ze moesten constant op hun hoede zijn voor omlaag kletterende apepis en -stront.

Claudia en ik bleven in de buurt van het bezoekerscentrum en zagen daar: een baviaan, een zwart-witte colobus aap, een rode colobus aap, en ....... de rugzakken uit Den Bosch. En wat wilden die de volgende dag gaan doen? Wandelen bij de crater lakes, net als wij.

Een verrassing toen we het bos uitreden: een chimp langs de weg stond ons gratis uit te zwaaien. Of uit te lachen, dat kan ook.

De volgende ochtend: een wandeling met gids door het Bigodi Wetland Sanctuary: veel vogels en apen. Leuk.
A walk in the wetlands
’s Middags maar eens rondom het meer, Inge en ik te voet; Ruby en Claudia in de auto. Van het kaartje in de Travel Guide klopte geen zak, de auto moest al snel terug omdat de weg doodliep en Inge en ik moesten op het gevoel verder; en verdwaalden dus totaal. De hele wandeling geen meer meer gezien. Wel een dorpje met een wat agressieve jongen die geld wilde omdat we een foto hadden gemaakt van een paar kinderen. (Tot nu mijn enige onprettige ervaring met een Oegandees, de andere 26 miljoen zijn allemaal vriendelijke mensen.) Ik weigerde en het werd een beetje een dreigende sfeer. Tegen betaling wilden ze ons wel de weg wijzen, maar daar had ik geen zin in, dus marcheerden we met een kudde joelende kinderen achter ons aan het dorp weer uit, een slingerend geitepaadje in, omlaag een dal in, omhoog een heuvel op en toen de heuvelrug gevolgd in de richting waar voor mijn gevoel de hoofdweg moest lopen. Inge werd steeds zenuwachtiger, die zag ons al in een lemen hutje overnachten. Onderweg een paar leuke foto’s gemaakt van Inge voor een lemen hutje en verderop met een wat wulps meisje met een grote tros bananen op haar hoofd.

Bananen en meloenen
Na een uur of zo doorstappen kwamen we op de hoofdweg uit en vonden ons meer weer. Daar kwamen we aan de praat met Tom van een jaar of vijftig schat ik. Hij begon over zijn familie te vertellen, zijn oudste broer van 73 die al opa was. Maar ook nog kind en zelfs kleinkind, want niet alleen hun moeder leefde nog, maar ook hun oma!!! Vijf generaties!!! Oma was dik over de honderd maar nog heel fit. Ze had wel veel rimpels zei hij.

Ik had wat weinig geld meegenomen en toen ik ’s ochtends ging afrekenen vroeg ik aan de bazin van CVK of ik met een cheque mocht betalen. Och, zei ze, ik kom over twee weken toch naar Kampala, betaal me dan maar!!! Ik moet wel een erg eerlijk gezicht hebben!

De kikkermeerbazin
De volgende bestemming was het Queen Elizabeth National Park. Ik had twee nachten geboekt in de Mweya Lodge, midden in het park. Een mooi hotel met een vijf sterren uitzicht over Lake Albert en spartelende olifanten, buffels en hippo’s in het Kazinga Channel. Als je dieren wilt zien moet je óf heel vroeg óf tegen de avond de bush in. Overdag liggen ze te slapen. Drie keer hebben we een game drive gemaakt plus, in gezelschap van de Bossche rugzakken, een boottocht door het Kazinga Channel. En van dichtbij gezien: olifanten, buffels, hippo’s, waterbucks, bushbucks, Uganda kobs, warthogs, hyena’s, veel vogels, en heel ver weg twee leeuwen.
Het is niet zo dat die dieren allemaal netjes op een rijtje op je staan te wachten, klaar voor de foto. Die moet je zoeken en je rijdt wel eens een half uur zonder een kip te zien. Maar zelfs zonder dieren is de natuur mooi ’s ochtends vroeg en in de schemering en het is ook wel spannend. Achter elke struik kan ineens een leeuw tevoorschijn komen. Iedereen in de auto zit gespannen links en rechts te zoeken, camera in de hand, “wat was dat achter die struik?”, “rij eens wat terug, ik zag iets bewegen”, “is dat een leeuw daar of een mierenheuvel”. En ineens komt dan de familie olifant het bos uit en steekt net voor je de weg over; spannend en indrukwekkend.



En na zo’n rit kom je terug bij je kamer en breekt bijna de benen over een levensgrote warthog die daar in de voortuin ligt te pitten. ‘s Nachts lopen de hippo’s over het hele terrein en kun je niet slapen van het geknor en gesnuif aan de achterdeur.

Vvvdvd: Vet varken voor de voordeur.
Ik heb al die dieren al honderd keer gezien en was meer geïnteresseerd in de mooie landschappen, de spectaculaire zonsopkomsten en –ondergangen en de fantastische sterrenhemels ’s nachts. De melkweg was echt één grote witte wolk, zo kun je dat in onze beschaafde wereld nooit meer zien.

Vrijdagochtend het QE Park uit en via Mbarara op weg naar Lake Mburo. Volgens de gids is daar het meeste wild te zien van heel Oeganda. Ik had twee tenten geboekt in het Mantana tented camp, @ US$ 210/tent/nacht, dus dat moesten wel heel luxueuze tenten zijn. Maar dat viel tegen, de tenten, het eten, de bediening, alles matig en we besloten om maar een dag eerder naar huis te gaan.
 Dat vele wild, dat klopte wel: vooral zebra’s en impala’s. De Ugandan Wildlife Authority heeft het wild verdeeld over alle parken van het land, dus als je alles wilt zien, dan moet je ook alle parken bezoeken. Slimme marketingstrategie.

Op onze game drive vrijdagavond kwamen we na twee uur rijden en weinig gezien te hebben op een gegeven moment aan het meer uit. Ik stapte uit om de benen wat te strekken en liep naar het water. Leeuwen zijn er niet, dus wat kan je gebeuren. Ruby heel flink achter me aan. In het water, een meter of tien van de kant, dobberden een paar hippo’s, geen gevaar dachten we. Tot we achter ons keken en oog in oog stonden met de grootste hippo van de hele wereld. Ik heb Ruby wel eens zien sprinten op de tennisbaan, maar zo hard als toen heb ik ze nog nooit zien rennen.

Zaterdagochtend nog een vroege rit door het park, een warme douche in de tent, ontbijt in de bush en terug naar huis. Geluncht op de evenaar en Inge gefotografeerd met een been op het zuidelijk en het andere op het noordelijk halfrond en om een uur of drie waren we weer thuis op Mbuya Hill.


Inge tussen noord en zuid
‘s Maandags: Claudia naar school, ik naar kantoor, Inge en Ruby naar de Buganda street in het oude centrum om souvenirs te kopen. En wie zien ze daar? De paus? Nee, die niet; maar wel de rugzakken uit Den Bosch. Voor de vierde keer in een week op vier totaal verschillende plaatsen. Ze bleken tot voor kort ook in St. Michielsgestel te hebben gewoond, in Inge’s straat! Ik neem aan dat ze elkaar intussen alweer een paar keer op het postkantoor of bij Albert Heijn in Den Bosch zijn tegengekomen.