maandag 23 april 2012

Doorspoelen in Murchison Falls


19 december 2006, de auto in en op weg naar het Murchison Falls National Park. Een dikke 300 km, eerst 175 km asfaltweg: slalommen om de potholes heen en daarna hobbelen op zand- en grindwegen.

We hadden de Paraa lodge geboekt aan de noordoever van de Nijl, dus dat betekende oversteken met de pont. Flinke rivier, een paar honderd meter breed, de Maas is er een klein beekje bij. Aan de oever lagen een mama + baby nijlpaard te dobberen en aan de overkant werden we opgewacht door een pootje badende olifant.

Lekker dobberen
Half drie kwamen we bij de lodge aan. Wat eten, even rusten, een douche en toen maar gelijk de eerste game drive. Denis gehuurd, de ranger van de Uganda Wildlife Authority met een AK-47 voor de buik en 11 jaar ervaring achter de rug, dus ons kon niets gebeuren. Het had veel geregend de laatste tijd, het gras was groen en hoog en Denis begon met uit te leggen dat we daarom niet veel wild zouden vinden. En de olifanten en giraffen dan?, verstoppen die zich ook in het gras? Nee, die zouden we wel vinden, en we hadden ook een goede kans op een leopard in een boom, zei Denis.



Kilometer na kilometer, golvende vlaktes, prachtige landschappen, maar nog geen konijn te zien, laat staan een olifant. Maar toen we 5 uur later weer bij de lodge aankwamen hadden we toch oribi’s gezien (soort ree), bushbucks (soort hert), Ugandan kobs (soort impala), hartebeest (soort paard met horens), water bucks (pluizig hert), cape buffaloes (soort koe), een zwerm ground hornbills (soort kalkoen), giraffen (soort hijskraan) en ...... twee gestrande touristen, een Duitser met zijn Oegandese vriendin, muurvast in een moddergat. En het was al laat; en het begon al donker te worden; en zij was bang; en ze zaten wel 40 km van de lodge af; en hun camp was aan de overkant van de rivier; en de laatste ferry ging om 7 uur; en het was al half zeven.

En er was geen enkele kans dat ze uit dat gat los zouden komen, dus stapten ze bij ons in en lieten hun auto + chauffeur achter. Denis had de wegenwacht gebeld en de chauffeur zou later opgehaald worden.

De zon was al onder aan het gaan, dus volgas terug naar de lodge. En toen het donker was barstte het ineens van de konijnen. Ik wist niet eens dat ze die in Afrika hadden. Ik kom er al dertig jaar, nog nooit een konijn gezien. Op een gegeven moment zagen we in het licht van de koplampen een paar wel erg grote konijnen: leeuwen. Twee jonge mannetjes op jacht. En ze bleven netjes met de auto meelopen. Af en toe even stoppen en poseren voor een foto en dan weer verder. Ruby, Claudia, Frank hadden nog nooit een leeuw in het wild gezien. Als je ze overdag vindt liggen ze meestal duf onder een boom te slapen, dus dit was wel een spectaculaire show.


Wel een erg groot konijn!

De belangrijkste attractie van het park zijn de Murchison falls. We wilden een boottrip boeken naar de onderkant van de falls, maar de boot was kapot, dus de volgende dag maar weer met Denis op stap. Mooie landschappen weer, maar geen nieuwe dieren tot, op weg naar huis al, Denis in de verte een leeuw in een boom zag zitten. De tweede keer pas in zijn 11 jaar als ranger, dus dat was wel weer een speciale show. Op 50 m bleven we staan: kijken, foto's, video, maar mevrouw de leeuw kreeg genoeg van ons, sprong er uit en verdween in het gras.



21 december was de boot weer gemaakt en konden we eindelijk naar de falls. Twee uur varen heen, een uur terug. Kuddes hippo's overal langs de oever en honderden krokodillen. En veel vogels; ik vroeg Emanuel de gids wat dat voor een vogel was, die daar hoog in de lucht rondcirkelde. Hij keek en keek en zei: "een visarend." “Is hij daar boven aan het vissen dan?" Hij moest even nadenken: "nee, vissen doet hij hier beneden." "In het water?" "Ja, in het water!"

De Nijl is daar wel 300 meter breed en 10 – 15 m diep en er staat een flinke stroming. En al dat water perst zich door een 6 m brede spleet heen en valt 45 m omlaag. De stroming is te sterk om dichtbij te komen maar we zagen in de verte wel dat het er flink bruiste en schuimde. Aan de overkant van de Nijl kon je de falls aan de bovenkant van dichtbij bekijken en dat zouden we op de terugweg naar huis gaan doen.

De Nijl heeft het de explorers die 150 – 200 jaar geleden op zoek waren naar haar bron niet gemakkelijk gemaakt. Speke ontdekte in 1862 dat ze bij Jinja uit Lake Victoria stroomt. Vandaar stroomt ze als Victoria Nile zo’n 100 km naar het noorden en verdwijnt dan in Lake Kyoga, een ingewikkeld systeem van meren en moerassen. Van Lake Kyoga uit slingert ze naar het noord-westen, passeert de Murchison falls en mondt uit in Lake Albert. Vandaar stroomt ze, een paar km breed, als Albert Nile naar Sudan en heet dan White Nile tot Khartoum. Daar voegt de Blue Nile uit Ethiopie zich erbij en samen stromen ze dan als Nijl naar Egypte en de Middelllandse zee.

Op 23 december weer op weg naar huis. Zo’n 200 foto’s had ik gemaakt, maar wachtend op de pont heb ik net de leukste gemist: twee vlooiende bavianen achter elkaar; de derde vroeg om aandacht en ging half op zijn kop ervoor staan, zijn kont 10 cm voor het gezicht van de middelste. Een hilarisch gezicht, maar voor ik de camera klaar had om te knippen liep hij weg. Jammer, was de foto van het jaar geweest.

Onderweg dus nog even langs de bovenkant van de falls, en dat is wel een van de spectaculairste natuurshows die ik ooit gezien heb: een enorme stroom water perst zich met gigantisch geweld en oorverdovend lawaai kolkend, bruisend en spetterend door een smalle spleet heen en dan omlaag. Vorig jaar was een Indiase vrouw er in gevallen, zei een lerares van Claudia, die daar net ook was. Het waren kennissen van haar. Haar man wilde een foto van haar maken en zei: “een beetje verder naar achteren; nog wat, nog een beetje, ......” tot ze haar evenwicht verloor en omlaag stortte. In haar val kon ze nog net de riem van de camera grijpen en zo trok ze haar man mee en verdwenen ze samen in de kolkende stroom. Geen schijn van kans dat iemand daar levend uitkomt, je wordt helemaal tot moes gemalen door het water en de rotsen.


Hier er in .....






.... en daar er uit


En op die positive note stapten we de auto in en scheurden zo hard het ging terug naar Kampala. Eerst maar eens kerstmis vieren en dan naar de Bujagali falls en lake Nabugabo, maar dat is weer een heel ander verhaal. 

Gratis drinken in Mombasa

Pasen 2007 in Mombasa, Kenia: zon, zee, strand, palmen en gratis onbeperkt drinken. Je kunt het nauwelijks beter hebben zou je zeggen, maar dit is toch niet mijn soort vakantie. Samen met een paar honderd Engelse magazijnbedienden- en assistentboekhoudersfamilies; het type mensen dat je normaal gesproken niet opzoekt maar waar we nu een week lang mee onder één dak wonen. En drie keer per dag samen mee eten met op de achtergrond "Eine Reise ins Glück" en dat soort parels uit de vijftiger jaren. In het paasweekend elke avond een culturele show: een stuk of wat tuinlieden en serveersters die met een afrikaans-achtig kostuum op afrikaans-achtige muziek een beetje afrikaans-achtig op en neer huppelen. En de toeristen hadden het idee dat ze naar een authentieke wilde stammendans zaten te kijken.

Bij aankomst krijgt iedereen een blauw plastic bandje om de pols geklikt: het pasje voor gratis eten en drinken. Maar dat ging me toch te ver, ik wil op mijn zestigste toch niet nog eens met een gekleurd armbandje rondlopen zoals in het kleuterklasje van juffrouw Mien.

Massatourisme: als je zelf niets kunt verzinnen kun je je van vroeg tot laat bezig laten houden door het animation team: water-aerobics, bingo, darten, volleybal. Je hoeft niet na te denken, niets te verzinnen, gewoon de juf en de meester achternalopen. Een fantastische manier om Afrika te ontdekken.



Met andere woorden: ik vind het niks hier; Ruby vindt het fantastisch. Ons normale probleem: zij wil altijd met de massa mee; ik er juist tegenin.

Maar wat een verrassing bij de de lunch: Ms. Westbrook, Claudia's first grade juf op de Amerikaanse school in Dhaka!!!! Wij naar Kampala verhuisd, zij naar Lagos Nigeria en we komen elkaar in Mombasa tegen!

Claudia maakt altijd snel vrienden. Meestal volwassenen: ze praatte veel met een Turks-Brits stel en was ook vaak samen met Samya van de duikclub, uit Yemen. Die woont in twee volkomen gescheiden werelden: overdag een vlotte jonge meid op het strand in shorts en een T-shirt en als ze naar huis gaat een vrome moslim met een lange zwarte jurk aan en een hoofddoek om. Ik mocht wel een foto van haar maken. In Yemen ben ik daar bijna een keer om vermoord.

Claudia speurend naar Nemo

 Het is heet hier en vochtig; ik weet niet goed waarom we 3.000 dollar betalen om in die vochtige hitte te zitten afzien, terwijl het veel lekkerder is in onze eigen tuin. Het idee was dat Claudia zou leren snorkelen en godzijdank vindt ze dat ook leuk. Ze is twee keer met de boot naar het koraalrif geweest en heeft daar Nemo gevonden plus al zijn verwanten en aangetrouwde familie.





Dát is pas een zeester!

De eerste keer zijn Ruby en ik met de snorkelboot meegegaan en kwamen daar helemaal suf van terug: platgeluld door de wereldkampioen ouwehoeren: een Duitse vrouw die drie uur lang continu tegen haar twee kinderen heeft zitten aanlullen. Die kon zelfs onder water haar mond niet houden; praatte zelfs onder het snorkelen door. Arme kinderen, arme echtgenoot.

Op woensdag zijn we naar Tsavo East geweest. Mooie landschappen en veel dieren. Er lopen daar 20.000 olifanten rond en volgens mij hebben we die ook allemaal gezien. Op safari gaat het altijd over de "big five". Daarvan hebben we die dag in Tsavo alleen de olifant en de buffel gezien, maar de rest waren we al tegengekomen in het zwembad van het hotel: mijn god wat een gevaarten waggelen daar rond. In de zestiger jaren ben ik twee keer in Engeland geweest; in ’65 gelogeerd bij oorlogsvrienden van pa en ma, en in ’66 drie maanden praktijk voor de school in Boskoop. Matige eters waren het toen, veel te weinig voor mij, ik leed honger. Iedereen was dun, je zag geen dikke mensen. Nu zijn er maar zat; vette kerels met monsters van vrouwen en dikke, cola drinkende, snacks etende, gameboy spelende kinderen. 
Souvenirwinkel in de Old Town
Op donderdag naar een natuurparkje waar je krokodil kunt eten en giraffen voeren en op vrijdag een city tour: een dorpje met houtsnijders, fort Jesus en de Old Town. Oude arabische huizen met mooie houten balkons en boutiques en souvenirshops. Maar terwijl we daar rondliepen begon eindelijk de natte moesson 2007 die al een maand over tijd was. Mooi gepland voor ons want we gingen de volgende dag naar huis. Jammer voor de mensen die nog drie weken strand geboekt hadden. 

Pink Pop in Nakuru

november 2007

CHOGM in Kampala: Her Majesty The Queen op bezoek, prince Charles en zijn merrie, Gordon Brown en zijn clowns, 5.000 hoogwaardigheidsbekleders van het gemenebest, nog eens net zoveel journalisten, roadblocks, security, politie, op elke stoeptegel een soldaat met een mitrailleur, de binnenstad hermetisch afgesloten ......... wegwezen.


We wilden al lang eens naar Nakuru in Kenya om te checken of de flamingo’s er nog zijn en om vrienden op te zoeken, en dit was een mooie gelegenheid.

Een ritje van 7 uur zou het zijn maar wij hebben er toch 11 uur over gedaan. Redelijk goede weg voor Afrika, maar ook veel stukken langzaam hobbelen en tussen kuilen door zig-zaggen.

Een dikke 200 km tot de grens. Allemaal belangrijke mensen achter loketten en voor je die allemaal afgeweest bent, alle papieren gecontroleerd zijn, alle formulieren ingevuld en alle stempels ontvangen ben je minstens een half uur verder. Dan 200 meter door no-man’s (en no-road’s) land en aan de Kenyaanse kant nog eens hetzelfde in het blauw.

Om drie uur hadden we in Nakuru moeten zijn maar om kwart over twee waren we pas in Eldoret met nog 150 km slechte weg voor de boeg. Honger; eerst maar eens een restaurant zoeken: drie volle borden vlees en vis en rijst en frites en drinken; alles bij elkaar voor 6 euro, niks van te zeggen.



Van Eldoret naar Nakuru kun je kiezen tussen twee wegen. De A104 was “horrible” hadden we in Kampala gehoord: kuilen, gaten, stof, lawaai en vrachtauto's. We konden beter de C54 nemen, die was ook wel “terrible” maar niet zo druk en die liep door een mooi gebied.
Maar bij de lunch kregen we het advies om via Kabarnet te rijden: een omweg van 100 km maar wel een goede weg met mooie uitzichten over de rift vally, waar oost Afrika aan het afbreken is van het continent. Het duurt nog wel een miljard jaar of zo voordat de Indische Oceaan door de rift valley stroomt, dus dat maken wij waarschijnlijk niet meer mee.
Net voor het donker kwamen we eindelijk bij Poul en Elizabeth aan: 570 km op de teller.

Poul ziet er behoorlijk gerimpeld uit voor zijn leeftijd; daar heeft hij flink voor moeten roken en zuipen denk ik. Elizabeth is Kenyaanse, leuke, spontane, actieve meid. Mooi groot huis hebben ze, hoog boven de stad met uitzicht op het meer. Poul is gestopt met het internationale werk en nu leven ze van Elizabeth's snackbar en pub in de stad.
Een dochtertje hebben ze ook, Tove, 9 jaar, plus vier kleine schoothondjes. Claudia was er helemaal gek van; onze Simba en Skippy werden spontaan afgedankt en er werd met meerderheid van stemmen (2 tegen 1) besloten dat ze ook zo’n hondje zou krijgen.

Maandag relaxed, de Menengai vulkaankrater bezocht, de stad even bekeken, geschrokken van de glue sniffende straatjongens, Elizabeth's snackbar en pub bezocht, geluncht in de 100 jaar oude koloniale Rift Valley Club (bar verboden voor vrouwen) en thuis een paar sundowners genomen op het dakterras. Het was mooi zonnig weer maar hun huis ligt 1800 m hoog en 's ochtends en 'savonds moest je een warme trui aan.

Kenya is veel toeristischer dan Uganda en de game parks, de lodges, de hotels zijn veel duurder. Er zijn veel meer kraampjes en winkeltjes met toeristentroep en de verkopers zijn veel opdringeriger. Ze geven niet gauw op en volgen je de hele stad door en je moet tamelijk onbeleefd worden voor ze snappen dat je hun prullen echt niet wilt. Ruby heeft toch nog flink ingekocht: tassen, petten, armbanden, halskettingen, masai kraaltjes, een houten giraf en een hippo + neushoorn van soapstone.



Dinsdag naar het Lake Nakuru game reserve: natuur, wild, flamingo's gezien en bij de lunch in de lodge de Chinese minister van defensie. De Chinezen zijn al een tijd bezig Afrika economisch te koloniseren. Ze halen de grondstoffen weg voor hun industrie en brengen hun troep er voor terug. Ze geven ook hulp die zeer gewild is bij de machthebbers want er zijn geen voorwaarden aan verbonden zoals bij die van ons. Wij eisen in ruil voor hulp democratie, mensenrechten, bestrijding van corruptie; de Chinezen interesseert dat allemaal niets en het maakt ze niets uit in welke zakken hun geld verdwijnt. De minister zal er niet zijn geweest voor de flamingo's maar voor zaken: om vliegtuigen, kanonnen en tanks te verkopen.

Poul, Elizabeth en Tove hebben 7 jaar in Patuakhali Bangladesh gewoond, vlak bij de Bay of Bengal. Op een ochtend bij de koffie, Elizabeth was al aan het werk, Tove naar school, Ruby en Claudia nog in bed, beschreef Poul hoe mooi het daar was. Hoe paradijselijk de eilandjes voor de kust; hoe de mensen nog leefden als 1000 jaar geleden, hoe vriendelijk en gastvrij ze waren; en dat ze nu waarschijnlijk allemaal dood waren: weggespoeld door cycloon Sidr van vorige week......

Woensdag met Leif en Susanne en hun 6 Deense gasten meegereden naar de hot springs in Lake Bogoria. Eieren gekookt in de springs, mijn fikken gebrand in het kokende water toen ik probeerde een ei te redden dat uit de pan ontsnapte, heerlijk gepic-nicked aan het meer met Deens brood, leverpastei, kaas, zure rode bietjes, gezwommen, een paar koude pilsjes en toen doorgereden naar Lake Baringo.
Het water kookt, de eieren kunnen er in ...

nu 6 minuten koken
Prachtige ruige landschappen onderweg. Heet is het en er groeit niet veel. Een hard en karig bestaan voor de mensen daar. Wij zoefden er in onze ge-airconditionede landcruiser voor de lol doorheen en buiten in de hitte ploeterden de mensen om te overleven. Kinderen liepen met hun magere koeien en geiten door de bush en rimpelige vrouwtjes sjouwden met bossen brandhout op de rug naar hun hutjes toe. Minstens twee werelden verschil tussen hun leven en het onze; toch een gemeenschappelijke taal: lachen en zwaaien.

Naar Lake Baringo toe werd de weg steeds slechter en bij een rivier hield hij zelfs helemaal op: met brug en al weggespoeld. Het is droge tijd; er stond niet veel water in de rivier en daarom konden we er met de 4x4 doorheen. In de lage gearing voorzichtig de oever omlaag, door het water heen en aan de andere kant weer omhoogkruipen. Een stuk verderop vonden we de weg terug.

Soi safari lodge, mooi gelegen aan het meer, goede kamers, 100 $ per dag full board, dwz alle maaltijden inbegrepen. Maar niet veel te doen daar. Donderdag naar een snake farm geweest, foto's gemaakt met de python om de nek, gezwommen, geslapen, een boottochtje op het meer en wat door het dorpje gewandeld. En op TV gezien hoe de Queen CHOGM opende in Kampala.

We hadden een bootje gehuurd van twee jongens maar die waren blijkbaar niet populair want toen we in wilden stappen ontstond er een grote ruzie met de botenmaffia van het dorp. Schreeuwen, trekken, duwen, dreigen; daar hadden we geen zin in; wegwezen en even later maar de dure boot van de lodge genomen.

De twee hoofdattracties op het meer zijn een eiland waar een man woont met vijf vrouwen en 28 kinderen, en de fish eagle show: de guide zwaait met een visje in zijn hand naar een fish eagle die hoog in een boom aan de oever zit, gooit het visje in het water en de eagle suist er met een rotvaart op af, grijpt het visje en vliegt terug naar zijn boom.

Leopards zijn voor Ruby intussen een obsessie geworden. Iedereen die we spreken heeft er een gezien, behalve wij. In tientallen parken hebben we gezocht en gespeurd met verrekijkers en telelenzen, maar nada. Daarom zaterdag, de laatste dag, nog maar eens naar het game park in Nakuru. De hele dierenwereld van Afrika kwamen we weer tegen: neushoorns, giraffen, struisvogels, buffels, zebra’s impala’s, gazelles, wrattenzwijnen, waterbokken, elanden, bavianen, schildpadden, flamingo’s, pelikanen en nog veel meer ongedierte ....... maar geen leopard en we moesten de volgende dag weer leopard-loos terug naar Kampala. En daar kwamen we zondagavond, na weer precies 11 uur rijden, weer aan.



Een op zeven had onze 11 jaar oude Landcruiser gereden, een beetje aan de dorstige kant vind ik, maar ik heb hem toch hartelijk bedankt voor zijn trouwe dienst. Berg op, berg af, hitte en stof, ijle lucht, slechte brandstof, bonkend in potholes en botsend over road bumps. Voor mij is er maar één auto in Afrika: Toyota.

PS: Simba en Skippy zijn intussen verbannen naar een hondenasiel en als we begin januari terugkomen uit Bangladesh komt er een Maltezer leeuwtje voor in de plaats. Weet er iemand hoe je het beste een klein hondje kunt vergiftigen? 

zondag 15 april 2012

Tse-tse vliegen en ander wild in Tanzania

april 2012


Wat gaan we doen in de paasvakantie? Ik: naar huis en alvast onze thuiskomst in juli voorbereiden. De andere twee: nee, voor de laatste keer nog eens op safari. Dus werd het safari, een afscheidsreisje naar de leeuwen en olifanten van Afrika. Maar waar? In Oeganda hebben we alles wel gezien. Masai mara dan? Nee, liever Serengeti. Of toch Masai mara, of is Serengeti mooier? Waar zijn de meeste dieren? Ze kwamen er niet uit en ik hakte de knoop maar door: Tarangire, Serengeti en Ngorongoro in Tanzania. Geboekt, betaald, tickets gekocht en op 6 april vlogen we naar Kilimanjaro airport bij Arusha. Emanuel haalde ons af met z`n oude Landcruiser en dropte ons in de Planet Lodge. Heerlijk rustig, de hele lodge voor ons alleen. Even naar de kamer om wat op te frissen en dan terug naar de bar. Eeeeeek: 100 lawaaiige Amerikaanse studenten met een verschrikkelijk bazig kreng van een juf! Waar komen die ineens vandaan?
Toch maar wat drinken, daarna dinner, slapen, breakfast en weer Emanuel’s Landcruiser in. Even de stad in om geld te wisselen, vier verse schone 50 euro biljetten omgeruild voor 82 vieze gore 5000 shilling biljetten en op stap naar Tarangire, een rit van een uur of twee. Aardige stad lijkt me, Arusha, schoon, goede wegen, mooie hotels, winkels. Daar zou ik best kunnen wonen.
Tarangire: mooie natuur, veel dieren, maar het mooiste vond ik de gigantische baobabs: de olifanten onder de bomen.
Onze Landcruiser onder een baobab
De dikke en de dunne
Op het eind van de middag door richting Ngorongoro. Prachtige ruime, ruige landschappen, daarbij vergeleken is Oeganda een netjes geharkt stadstuintje. Veel Masai overal langs de weg, de mannen zittend, pratend, lopend, fietsend; de vrouwen en meisjes aan de was in modderige poelen en de jongens koeien en geiten hoedend in de bush. Traditioneel gekleed in hun rood-blauwe doeken, altijd een lange, dunne stok in de hand, kaal geschoren hoofd, een voortand uitgetrokken en grote gaten in hun oorlellen. Regelmatig zagen we groepjes van 2 - 4 Masai jongeren langs de weg lopen, in ‘t zwart gekleed, gezicht zwart geverfd met witte markeringen en zwarte struisvogelveren op het hoofd. Emanuel legde uit dat die jongens net besneden zijn en nu 3 weken alleen in de natuur moeten overleven om te bewijzen dat ze echte mannen zijn. Daarna mogen ze als krijgers terug naar hun dorp. Vroeger moesten ze daar ook met de hand een leeuw voor doden, maar die zijn bijna op en nu hoeft dat niet meer.
We passeerden het dorp van een Masai goeroe, een man die met god kan praten. En iedere Masai die een dealtje wil maken met god komt op bezoek, legt hem de boodschap uit en betaalt voor de bemiddeling in natura met een koe of een paar geiten. En zo is hij zeer rijk geworden, 15000 koeien heeft hij intussen plus 25 vrouwen en 80 kinderen. Omdat hij met god kan praten! Ook de Masai trappen in die truc.
We zagen ook regelmatig volwassen Masai`s langs de weg lopen met kuddes geiten en volgens Emanuel hadden ze die zo`n 80 km terug op een markt gekocht en waren ze er te voet mee op weg naar huis. Petje af! Ook voor de geiten.

De krater!
Overnacht in The Farmhouse en de volgende morgen verder op stap naar de Serengeti. Onderweg rij je een heel end over de rand van de Ngorongorokrater, maar we konden niet naar binnen kijken vanwege dichte mist. Net voor we afbogen richting Olduvai gorge trok de mist een beetje op, zie foto. De Olduvai gorge is de plek waar de voetstappen zijn gevonden van de allereerste mensen. In dit gebied wonen alleen nog Masai met hun koeien en geiten, maar die moeten het gras wel delen met giraffen, buffels, gazelles, gnoes en zebra`s.

Een stuk verder begint de echte Serengeti: oneindige grasvlakten, savannegebieden, bossen, heuvels, valleien, kopjes, en alles bevolkt door zo ongeveer alle dieren van de ark van Noë. Maar je moet wel wat geluk hebben om ze ook te ontmoeten. Behalve de tse-se vliegen dan, die krengen kwamen vanzelf op ons af.
Bij safari`s gaat het vooral om de `Big Five`: de leeuw, de leopard, de olifant, de neushoorn en de buffel, en die hebben we ook allemaal gezien. Ik moet toegeven: die leopard was wel ver weg. Hij lag te slapen op een tak, hoog in een boom en het is dat we zijn poten zagen bungelen, anders had het net zo goed een boodschappentas kunnen zijn. Mijn vierde leopard in 12 jaar Afrika en bezoeken aan minstens 30 safariparken. Geluk moet je hebben: een Indiase familie was voor de eerste keer op safari en moest de leopards bijna van zich afslaan. Eerst viel er door hun open dak heen bijna een op hun schoot, daarna zagen ze er een net voor hun auto de weg oversteken en de volgende dag zagen ze er een een gnoe vangen!

Een van de "Indiase" leopards
Maar wij hebben in de lodge ook de big fifty gezien, een groep Amerikanen met een gemiddelde leeftijd van 70 schat ik en een gemiddeld gewicht van ....? Een gemengd zwart/wit gezelschap was het, meest vrouwen. Als iedereen bediend was en het dinner naar binnen zat te scheppen kwam het keukenpersoneel altijd zingend en trommelend het restaurant binnenlopen en het was leuk om te zien dat de Afrikaanse genen van de zwarte Amerikaanse vrouwen dan ontwaakten en ze spontaan begonnen mee te dansen en te swingen. In tegenstelling tot de witte dames die stil op hun witte achterwerk bleven zitten.


We hebben leeuwen gezien en olifanten, giraffen, hyena's en van alles meer. Op pinguins en ijsberen na hebben we wel zo ongeveer alle wilde dieren van de werled denk, maar het wildste van allemaal waren de vogeltjes die Claudia's lunchbox aanvielen, zie foto.

Hè hè, even uitrusten ...

Roofvogels?

Moet je wat?

Ook veel Indiërs op safari. Claudia zegt dat die altijd net kijken of ze iets vies geroken hebben. Veeleisend kunnen ze ook zijn. Keuze uit acht hoofdgerechten op het menu, maar een heer aan de tafel naast ons wenste toch persé iets anders op zijn bordje. En kreeg nog zijn zin ook.

De mooiste show van de hele week, het hoofdspektakel, was de gnoetrek, de migration van kuddes van duizenden en duizenden gnoes plus een paar meeliftende zebra`s. Zover als je kunt kijken, tot aan de horizon één bruine blatende massa. Allemaal op zoek naar sappig groen gras. Ik heb ergens gelezen dat er 1,2 miljoen gnoes zijn in de Serengeti en de Masai Mara en ik denk dat wij er in drie dagen Serengeti toch minstens 50.000 van gezien hebben. Een indrukwekkend, onvergetelijk schouwspel.


Gnoeoeoeoeoeoeoeoes


Na de Serengeti terug naar de krater. Fris daar: iedereen kreeg `s nachts een warme kruik tussen de lakens gestopt. Toch nog een flinke verkoudheid opgelopen.
Een aards paradijs die krater, alle dieren huppelen er vrolijk en vredig door elkaar. Maar ja, er liggen toch hier en daar botten en schedels op de grond, dus de leeuwen en leopards zullen wel geen vegetariërs zijn en er zal af en toe wel eens bloed vloeien.
Voor het eerst van mijn leven heb ik daar een serval kat gezien, een soort mini leopard. Wandelde zomaar even langs. Emanuel had tevoren gewaarschuwd dat die katten ongeluk brengen, en verdomd: `s ochtends had hij met zijn hand tussen de autodeur bekneld gezeten en was `n stukje van zijn vinger kwijtgeraakt en even later, terwijl we omringd waren door negen leeuwen, kreeg hij de motor niet meer gestart.

Om ze te eren voor hun verdiensten voor de bescherming van het Tanzaniaanse wild staat op de kraterrand een monument voor Bernard Grzimek en zijn zoon Michael die hier in 1959, 25 jaar oud, met zijn vliegtuigje is neergestort. Pa Bernard is in 1987 in Duitsland gecremeerd en zijn as is hier uitgestrooid.


Het Grzimek monument op de kraterrand
Ik heb veel genoten die vijf dagen in de wilde natuur, maar ook veel gevloekt. Op mijn camera. Geen of slecht contact met de lens en daarom zijn veel foto`s onscherp, over- of onderbelicht, zijn slecht van kleur en heel vaak miste ik mooie fotomomenten omdat hij het gewoon niet deed.

Donderdagmiddag terug richting Arusha en onderweg een paar keer gestopt voor souvenirs. Tanzania is de enige plek op aarde waar Tanzanite gevonden wordt, een blauwe edelsteen. Ik hou altijd wel van stenen dus dat leek me wel een toepasselijk souvenir. `Hoeveel kost deze hier bijvoorbeeld?`, vroeg ik aan de Indiase eigenaar van een souvenirwinkel. Hij pakte een rekenmachine, toetste wat getallen in en zei: `deze is 17000 US dollar!!!!`
Het zijn toch maar T-shirts en Masaikraaltjes geworden.

Terug naar de Planet lodge, dit keer echt helemaal alleen voor ons, en de volgende morgen leverde Emanuel ons weer af op Kilimanjaro airport.
En op vrijdag 13 april, precies om 13 uur, landden we weer veilig in Entebbe.

zondag 20 februari 2011

Lekker luieren in de lodge


october 2009


We arriveren in de Paraa Lodge in het hart van Afrika, aan de oever van de Nijl, tussen Lake Albert en de Murchison Falls, en wat hoor je?: gegil en geblèr van een stel Hollandse blagen. Het is dinsdag 13 october 2009. We zijn net aangekomen uit Kampala, 'n rit van 4 1/2 uur die vlot verliep, behalve dat Ruby onderweg in haar wang is gestoken door een bij. En dat we een halve minuut te laat waren voor de pont. Ik had vanaf de ingang van het park 70 km lang als een gek gescheurd over de hobbelige grintweg om de pont van 12 uur te halen, maar toen we de laatste bocht namen zagen we hem vóór onze ogen vertrekken: 30 seconden te laat! Twee uur wachten op de volgende. Geen groot probleem: 500 m terug ligt het Red Chilli Rest Camp en daar hebben we wat gedronken in het gezelschap van een groep enthousiaste Hollandse toeristen die bezig waren aan een tour door Oeganda.
En om 2 uur bracht de pont ons naar de lodge op de noordelijke oever van de Victoria Nijl. Een honderd jaar oude lodge, ingericht in de stijl van de big game hunters van het begin van de vorige eeuw. Ernest Hemingway heeft hier o.a. gelogeerd op een van zijn jachtpartijen in The Green Hills of Africa en om het nóg spannender te maken: hij is vlakbij met zijn vliegtuigje neergestort en in de lodge verpleegd.
Wat doe je in een lodge? Game drives maken natuurlijk en luieren. Eerst maar eens het tweede, lui op een stretcher bij het zwembad.
De volgende morgen vroeg uit de veren en om 7 uur op pad met ranger Denis als gids. Die kenden we nog van drie jaar geleden, toen we hier ook een paar dagen doorgebracht hebben. Terwijl we op Denis wachtten sprong er een levensgrote baviaan door het autoraam zo ongeveer bij Ruby op schoot. Hij had in de auto zijn ontbijt geroken. Paniek, gegil, doodsangst, maar de baviaan bleef zitten tot ik vloekend en schreeuwend aan kwam rennen. Daar had hij niet van terug en hij nam snel de benen.

Denis kwam aan, stapte in en we gingen op stap. En zagen hier 'n buffel, daar 'n giraf, dan eens 'n tijdje niets, 'n hartebeest, 'n oribi, wer eens niets, wat Uganda kobs (soort impala's), wrattenzwijnen, 'n kudde olifanten, maar wat we eindelijk wel eens wilden zien was een leopard. Of op z'n minst een leeuw. Van dichtbij graag.
Denis kreeg een telefoontje: een leeuw, vlak bij de rivier. Zo hard we konden er naar toe. Iemand had een leeuwin de weg zien oversteken, maar zij had zich ergens in het dichte struikgewas verstopt.
Kijken, zoeken, loeren, om elk bosje heen rijden, wachten, maar de leeuwin liet zich niet meer blikken. Na een kwartier hadden we er genoeg van, jammer, volgende keer beter. We startten de auto en reden verder.
Zo, die zijn weg, moet mevrouw leeuw gedacht hebben, want op dat moment stapte ze achter ons de weg op. Maar zo'n leeuw heeft natuurlijk niet in de gaten dat er achteruitkijkspiegels op een auto zitten, en daarin zag ik haar uit de struiken tevoorschijn komen en de weg oversteken. Stop, achteruit en achter haar aan de bush in, dwars over een paar struiken heen, alles knarste en kraakte onder de auto, maar we vonden haar: rustig wandelend naar een waterpoeletje toe, even wat drinken en daarna recht op ons af, langs de auto heen en weer terug naar het bosje waar ze uitgekomen was. En waar ze waarschijnlijk haar welp of welpen had verstopt.
"How long do lion mothers breastfeed their cubs?" vroeg ik aan Denis. "About six months", antwoordde hij meteen. "Three months actually. Three to four months. Well, the young lions can suckle milk up to one year."
Gooi het maar in m'n pet. Hoe lang geeft mama leeuw haar kleintjes nu eigenlijk borstvoeding?
Ruby vroeg hem om medisch advies: "Denis, how can I best treat a bee sting?" "Oh, just put some insect repellant on the wound."
'n Prima gids die Denis, maar als huisarts zou ik hem niet nemen.
Drie jaar geleden maakten we hier een boottrip op de Nijl, ik zag een grote vogel hoog in de lucht cirkelen en vroeg aan de gids (een andere, net zo snugger): "what kind of bird is that, there high up in the sky?" Hij keek even en zei: "It's a fish eagle." "Is it fishing up there?" Moeilijke vraag blijkbaar want hij moest minstens 10 seconden nadenken en zei toen: "no, fishing he does down here in the river."
Zo, maar weer eens verder na dat leeuwenavontuur. Nu nog een leopard svp Denis. En verdomd, nog geen tien minuten na de leeuw vond hij een leopard. Verstopt in een dichtbebladerde boom, een meter of vijftig van de weg. Het was donker in de boom maar je kon zijn vlekken en zijn groene, lichtgevende katte-ogen goed zien. Prachtig. Mijn derde leopard pas. Maar de leopard was minder enthousiast. Die vond die belangstelling maar niks, sprong uit de boom en verdween in de struiken.

Het was onze geluksdag blijkbaar want een paar minuten later stonden we oog in oog met een kudde olifanten. Vijf meter van de auto af. Zielig: een baby olifantje had een gebroken voorpoot en huppelde op drie pootjes naast mama op. Wat zou daar van terechtkomen? Leeuwenvoer?
Genoeg natuur voor vandaag. Terug naar de lodge, eerst een douche, dan lunch en dan het zwembad.
De volgende morgen nog eens hetzelfde. Maar om het kort te maken: behalve een demonstratie termiet-eten van Denis en ontmoetingen met een zeldzame reedbuck en een jakhals geen spannende, nieuwe belevenissen. Maar wel door prachtige landschappen gereden, en voor mij het hoogtepunt: een kwartier uitgestapt aan de rivier en genoten van het uitzicht en de stilte midden in de natuur: alleen gesjilp van vogels, geen auto's-mensen-herrie-stank-fabrieken-kantoren-etc.
De rest van de dag wat zwemmen en luieren, en kijk eens aan: bezoek van een olifantenfamilie die gratis kwamen lunchen in de tuin van de lodge. Sommige op nog geen vijf meter afstand.
Een internationaal gezelschap in de lodge: Amerikanen, Russen, Indiërs, Fransen, Duitsers, Italianen, Britten en Hollanders. Erg vriendelijke staff, redelijk eten, maar naar mijn smaak toch niet redelijk genoeg voor 100 USD p.p.p.n.
Vrijdag, terug naar huis. Maar eerst nog even langs de Murchison Falls. De meeste toeristen bekijken ze vanuit een bootje, maar dan kun je er niet dicht genoeg bijkomen om het geweld te voelen. Dat doe je pas als je naast de zes meter brede spleet staat waar de Nijl zich tussendoor wringt en dan kolkend, bruisend, brullend met ontzagwekkend geweld naar beneden stort. Een uniek spektakel.
En daarna: terug naar die smerige stad en maandag weer aan het werk, respectievelijk op school, op kantoor en op de tennisbaan.

zaterdag 8 januari 2011

Back to Bangladesh

Rangpur, december 2009
·
Reizen = lijden, afzien. Wachten, honderd keer in de rij staan, ergeren aan dringers en voorkruipers, jankende kinderen, jetlag, niet kunnen slapen, kapot. 21 Uur duurde de heenreis van deur tot deur, waarvan ruim twee na aankomst op het vliegveld in Dhaka. Eerst bij immigration, we stonden als tweede voor het loket, maar het lukte oom agent om ons toch nog 45 minuten in de rij te laten staan voor onze passen afgestempeld waren. Ik denk dat de laatsten er nu nog staan. Allerlei vage figuren komen aanzetten met handen vol paspoorten, passeren de hele rij, lopen door naar het loket, smoezen wat met de agent en mogen dan voor.
Maar in feite maakte het niets uit want toen we daar eindelijk doorheen waren duurde het nog vijf kwartier voor onze koffers arriveerden. Niets functioneert er in dit land, een ongeorganiseerde puinhoop is het. Van de simpelste klus weten ze nog een chaos te maken. Vijf kwartier aan de band gestaan. Niet zoals op Schiphol met 75 cm ruimte tot je buurman, nee het begrip comfort zone is onbekend in Bangladesh. Met andere woorden, ze staan tegen je aan te duwen en te stinken en opgewonden te schreeuwen. In een hete, zweterige hal, je hebt net een nacht gemist, je bent doodmoe en wilt maar één ding: naar het hotel en slapen. De hel moet er ongeveer zó uitzien. En Dhaka is dan het vagevuur: heet, druk, chaotisch, vervuild, lawaaiig.
George Harrison zong in 1971 of zo: " ..... too many people in Bangladesh". Toen waren het er misschien 40 miljoen. Nu, bijna veertig jaar later staat de teller op 150 miljoen! In een land met een oppervlakte van 3x Nederland. En die moeten allemaal wonen en werken, eten en drinken en pissen en schijten. Onbegonnen werk.
Toch gaat het economisch vooruit. Op het platteland verandert niets, dat blijft armoe, overleven op een euro per dag per gezin, of minder, maar in Dhaka zie je tegenwoordig volop moderne hotels, supermarkets, restaurants en shopping malls en er is een middenklasse die zich kan veroorloven om daar geld uit te geven.
De volgende dag met een huurauto naar Rangpur. Als je eenmaal die stinkstad uit bent dan ziet het er allemaal wel pittoresque uit. Er hangt een lichte winternevel over het land en de zon schijnt maar op halve kracht. Het is 25 graden, windstil. De rijst is pas geoogst en de meeste velden zijn leeg en bruin, met hier en daar een fel-geel veld met mustard seed (zoiets als ons lijnzaad) en frisgroene veldjes met zaairijst, waarmee de velden binnenkort weer volgepoot zullen worden.
Je ziet chattals (ricemills), fishponds, bananenbosjes, boeren die met 2 koeien hun veld omploegen. Je komt door dorpjes die er allemaal hetzelfde uitzien met hun gore, gammele winkeltjes, werkplaatsjes en restaurantjes.
Wat een schoft van een chauffeur hadden we twee jaar geleden, en wat een aardige jongen was dit, Abdu Musa. 350 km is het, een uur of vijf schatte ik, maar het werden er zeven omdat er ongeveer een miljoen vrachtwagens met 30-40 km/u over de weg kropen die we allemaal moesten inhalen. De laatste 50 km was het donker. Spannend met al die onverlichte ricksha's op de weg die je pas op het allerlaatste moment ziet en met een plotseling ruk aan het stuur moet zien te ontwijken.
Innig weerzien met pa, ma en drie zussen. De andere zus woont in Dhaka en die hadden we daar al gezien. De vijfde, broer Sanjoy, was er niet. De zussen hebben het niet erg getroffen met hun lelijke, lompe echtgenoten, maar Sanjoy heeft de hoofdprijs: een hysterische boze heks. Knettergek. En het leek zo'n lief meisje toen ze trouwden.
Het is vijftien jaar geleden sinds ik voor het eerst het huis binnenstapte. Toen was het alleen begane grond, maar intussen heben wij er een verdieping bovenop gebouwd. Het is ongeveer klaar, alleen nog een waterboiler installeren voor de warme douche. Op dit moment gaat dat nog met een emmertje water, op een houtvuurtje warm gemaakt.
Pa heeft zijn best gedaan en over smaak valt niet te twisten zeggen ze, maar over de esthetische waarde van die roze bloemetjestegels in de keuken zou ik toch nog wel even een discussie willen voeren. En dan heb ik het nog niet eens over die lampen aan de muur, met die plastic zonnebloemdecoratie.
Maar het is een mooi, comfortabel appartement geworden: twee slaapkamers, zitkamer, eetkamer, keuken, badkamer, opslag, balkons voor en achter, een vaste trap naar het platte dak en het mooiste: een half overdekt terras van 30m2. En de hele bouw kostte: 3.500 euro!
Dat gaat hier wat anders dan in Europa. Je koopt een stapel bakstenen en wat cement en zand en huurt een metselaar die voor één euro per dag de muren bouwt. En een timmerman zaagt en schaaft en beitelt voor een paar cent van een paar boomstammen je ramen, luiken, deuren, muurkasten en keukenkastjes in elkaar.
Nachtrust is wel kostbaar in dit land, dwz er is geen enkel respect voor iemand's behoefte aan slaap. De nachtbussen racen door dorpen en steden en toeteren iedereen wakker, de nachtwacht (een andere, niet die van Rembrandt) houdt hier 's nachts de hele buurt wakker door elke vijf minuten snerpend te fluiten. Maar behalve mij en de inbrekers schijnt dat niemand te storen.
Ik heb alles bij elkaar een jaar of zeven in dit land gewoond, maar ik moet bekennen dat ik de taal niet beheers. Ik kan tot tien tellen en ik ken wat losse woorden, maar zinnen maken kan ik niet. En omdat de meesten hier geen Engels spreken zit ik er meestal voor spek en bonen bij. Ik kan zeggen "onek moscha" (veel muggen) en "ami janni na" (ik weet 't niet), en één hele zin: "ami toemake koetkoeti dibo", wat betekent: "ik zal je eens even kietelen". Maar ja, met die woordenschat zijn de communicatiemogelijkheden toch vrij beperkt. Hoe vaak kun je dat zeggen? En tegen wie?
Het maakt altijd wel veel indruk als Ruby vertelt dat ik zo ongeveer met eigen handen de Jamuna brug en de Mohakhali Flyover gebouwd heb. Dat zijn nationale monumenten die iedereen kent en waar de kinderen op school over leren.
24 December met schoonbroer Shubash en een paar van zijn collega's van Practical Action een paar projecten bezocht. Zij werken vooral met arme sloebers die door rivier-erosie hun land en dus hun bron van inkomsten zijn kwijtgeraakt. Ze krijgen training in allerlei "income generating activities", o.a. kleren maken, food processing, schapen houden en pompoenen verbouwen in de rivierbedding tijdens de droge periode. En dat alles in het aller-ruralste van rural Bangladesh, in dorpjes waar je met een auto niet kunt komen. Waar geen TV, radio, internet is, geen kranten, geen post, geen bankafschriften, geen rekeningen. Een verademing. Voor één dag tenminste.
Je moet ze zien om te geloven, de oudere vrouwtjes die daar rondscharrelen: broodmager, misschien 1.40 m groot en 30 kilo zwaar. Hun hele leven geen fatsoenlijke maaltijd gehad.
Wij wel, we hebben geluncht in een restaurant in Gaibandha. Bij het binnenlopen bestel je aan de kassa, je gaat aan tafel zitten en 3,8 seconden later wordt de warme hap al voor je neergekwakt. Het eten is goed (lekker gekruide biryani rijst met stukken kip) en de bediening snel, maar de ambiance is minder positief: geschreeuw, gegil, gesnotter en gerochel, alles nog overstemd door een snerpende TV. Bestek bestaat niet, evenmin als tafelmanieren.
25 December: knallende koppijn. Gevolg van vier slapeloze nachten. En die zijn weer het gevolg van de jetlag van drie uur. En van de herrie 's nachts. Iemand heeft tot een uur of 3 tot allah lopen bidden. Moet hij zelf weten natuurlijk, maar waarom met een microfoon en luidspreker? Idioot.
Ruby heeft sushi's gemaakt voor de familie. Het gereedschap en de ingredienten speciaal uit NL en Oeganda meegebracht. Maar kijk eens: ze lusten ze niet. Ik wist het tevoren: de rijst smaakt anders dan ze gewend zijn en wat de boer niet kent vreet hij niet. Zelfs de straathond die hier elke dag op de afvalhoop komt lunchen ruikt er eens aan, trekt een vies gezicht en loopt door. Zalmsushi's!!!
's Middags naar de Mela geweest, de Trade Fair: eten en drinken en twee hectare van de ergste plastic kitsch van de wereld. Een gebrek aan smaak kun je ze niet ontzeggen.
Wel een leuke tekst gezien op de trui van een klein jongetje: "just hand me the cookies and nobody will get hurt".
Er zijn weinig auto's in Rangpur, hét transportmiddel is de ricksha. En daarin heeft een innovatieve vernieuwing plaatsgevonden: ricksha's met electromotor; geruis- en stankloos. 'n Paar honderd schat ik, 'n druppel in de zee van tienduizenden ouderwetse, door menskracht voortbewogen ricksha's. Die zijn goedkoper, maar minder snel. Maar op het gerochel en de zweetlucht van de ricksha walla na, ook geruis- en stankloos.
Het weer in Rangpur valt mee. Niet zo koud als twee jaar geleden, maar we lopen toch te hoesten en snotteren en dragen dikke truien en shawls.
28 December een paar huisbezoeken afgelegd. Eerst bij Ashu. Die woont met zijn familie, 20 man of zo, in een paar simpele hutjes van leem, bamboe en golfplaten. Hij is een half jaar geleden getrouwd. Waar is je vrouw, mogen we die eens bewonderen? Dat mocht, maar het duurde even want eerst moest ze mooi aangekleed worden en opgemaakt. Uit Lalmonirhat kwam ze, een kind nog, 14 - 15 jaar oud. Andere Länder, andere Sitten.
Daarna naar Lovely, Ruby's jeugdvriendin. Lovely, Beauty en Sweety zijn veel voorkomende namen. Soms zijn ze toepasselijk; soms niet. Deze Lovely is een aardige meid en zo te zien verdiende ze haar naam wel toen ze 20 jaar jonger was. Nu niet meer.
En ze heeft pech in de liefde. Haar huwelijksnacht moet meer weg hebben gehad van een horrorfilm dan van een gepassioneerd liefdesavontuur want ze kwam tot de ontdekking dat haar man geen man was, maar een hermafrodiet. Een halve man. Kan zo maar gebeuren als je pa je echtgenoot uitzoekt en je met een totaal onbekende trouwt.
Privacy bestaat niet in Bangladesh, iedereen weet alles van iedereen en de hele buurt is van alle details op de hoogte inclusief de operaties die de echtgenoot sindsdien heeft ondergaan om bepaalde onderdelen te vervangen. Nog niet met het gewenste resultaat blijkbaar, want kinderen heeft ze niet.
30 december terug naar Dhaka. Ruby's pa is een emotionele man. Hij moet altijd huilen als hij zijn dochter weer ziet vertrekken. De terugreis duurde 8 uur, inclusief de lunch in Aristocrat, waar ik een diarree heb opgelopen van heb-ik-jou-daar!
Een bijzondere oud/nieuw proces dit keer: om één minut voor twaalf werd de klok een uur teruggezet. Ongeveer op dat moment voelde ik me zó ziek en misselijk dat ik wou dat ik dood was. Een prachtig begin van het nieuwe jaar dus. Gelukkig duurde die misselijkheid niet al te lang, maar nieuwjaarsdag heb ik toch in bed doorgebracht met om de vijf minuten een sprint naar de badkamer.
2 Januari voelde ik me wat beter. Nog wat oude en nieuwe bekenden ontmoet, o.a. een beroemde held uit de vrijheidsoorlog die me zijn nieuwe boek cadeau deed (For Mr Paul, a man I always admired). Daarna met de knapste, dwz de mooiste professor van de hele wereld (een Cambodjaans-Franse met een PhD in Political Science) de Bangladeshi toestand besproken. Ik heb haar drie (van vele) oorzaken genoemd waarom de politiek niet functioneert in dit land:
1) Het begrip compromis bestaat niet; je hebt alleen winnaars en verliezers en in de politiek betekent dat dat de oppositie het parlement boycot en dmv rellen en stakingen probeert de economie te ontwrichten en de regering ten val te brengen.
2) Men is niet geïnteresseerd in het oplossen van problemen, alleen in het aanwijzen van schuldigen.
3) Men kan niet samenwerken op gelijk niveau. Het functioneert alleen als er één de baas is die de rest commandeert. Als de gezagssituatie onduidelijk is gebeurt er helemaal niets.
Om 5 uur naar het vliegveld. Ruim de tijd genomen want het duurt altijd allemaal lang daar. Altijd, behalve nu. Nog nooit zo snel door security, inchecken, immigration gekomen en omdat het vliegtuig twee uur vertraging had hebben we vijf uur ziten wachten.
Twee bekenden op de vlucht van Dubai naar Entebbe: de Indiase managing director van een groot aannemersbedrijf en een ingenieur van de Oegandese Road Authority met z'n drie kinderen. En ik dus, van de organisatie die de Road Authority van het arme Oeganda financieel ondersteunt. Eén van ons drieën reisde business class, kun je raden wie? Juist de ingenieur uit het arme ontwikkelingsland!!! Ze waren drie dagen gaan relaxen en shoppen in Dubai.
Iets klopt hier niet voor mijn gevoel. Van z'n salaris kan hij dat niet betalen. Waar dan wel van?
De terugreis duurde 26 uur van deur tot deur. In Entebbe stonden we een half uur na de landing al buiten.

En de prijs voor de grootste lomperd van de hele reis was dit keer eens niet voor een Bangladeshi kandidaat, maar die werd eerlijk verdiend door een lelijke, vette, stinkende, strontvervelende Amerikaan.

Zimbabwe: Hwange, Victoria Falls en Matopos

10-12 Jaar geleden woonden we in Mozambique en hebben diverse trips naar Zimbabwe gemaakt, maar de Victoria Falls hebben we toen gemist. Nu wonen we in Oeganda en in de kerstvakantie van 2010 hadden we een nieuwe kans.
18 December, om 2 uur `s nachts ging de wekker: snel wassen, aankleden en gapend de taxi in naar het vliegveld. Verbazend hoeveel mensen er om half drie nog, of al, op straat zijn. Meisjes van plezier, hopend op een laatste klant, boda-boda`s (brommertaxi`s), en duizend auto`s met wie weet op weg naar weet ik veel. En politie om alles in de gaten te houden.
 
Onze vlucht naar Nairobi vertrok om tien over vijf en na twee uur wachten (wat een ongeorganiseerde zooi is dat vliegveld daar) vlogen we verder naar Harare. Daar stond Goof ons op te wachten, eigenaar van het Nyati reisbureau dat de trip geregeld had. Hij is Nederlander en omdat hij de volgende dag voor de kerst naar huis zou vliegen mochten we voor het `vriendenprijsje` van 140 dollar/dag zijn auto huren, een Nissan double cabin 'bakkie'.
 
Het was ruim 11 jaar geleden sinds we voor het laatst hier waren en in die tussentijd zijn er allerlei vreselijke dingen gebeurd in het land en is de Zimdollar totaal naar de kloten gegaan. Uit de media kreeg je de laatste jaren het idee dat Zimbabwe één wanhopige poel van ellende is met honger, ziekte, armoe en een totaal ingestorte economie.  Maar dat lijkt erg mee te vallen: druk verkeer, overal bedrijvigheid, glanzende Mercedessen, nieuwe wegen, functionerende verkeerslichten, het zag er allemaal veel welvarender en beter georganiseerd uit dan Kampala.


Harare

De eerste twee nachten verbleven we in de Kutandara lodge in Greendale, een door Bruce met veel liefde gebouwd paradijsje. Hij was vroeger boer maar is door het tuig van Mugabe samen met zijn ouders van hun land verjaagd.
Ons huisje op de Kutandara lodge
Op zondag de gemiste nacht ingehaald en even Harare in geweest en op een markt wat souvenirs gekocht. De Mashona, de grootste stam, zijn artiesten en maken prachtige beelden van steen en metaal en kleurige batikdoeken. Vriendelijk zijn ze ook. Behalve de security police dan; onze Zuidafrikaanse buren op de lodge kwamen per ongeluk wat te dicht bij het paleis van Mugabe en werden uit hun auto gesleurd, opgesloten en vier uur lang uitgescholden en beledigd voor ze totaal overstuur weer werden vrijgelaten.
 
Nadat de Zimdollar een paar jaar geleden zóver gedevalueerd was dat een brood een miljard kostte of zo (ik heb biljetten gezien van 20 trillion dollar), is hij helemaal verdwenen en ze gebruiken nu de US dollar en de Rand. En ze zijn hard bezig om ook die te devalueren, want een flesje cola kost `n dollar, 4x zo veel als in Oeganda. Eten is ook minstens 2x zo duur, maar dat schijnt ze niet te hinderen wat ze zien er over het algemeen goed doorvoed uit. Moddervet had ik ook kunnen zeggen.
 
20 December: op naar Bulawayo, een laaaaaaaaaaange weg van 450 km langs velden met mais, grasland met koeien, bossen, savanne en plaatsen als Kadoma, Kwekwe en Gweru. Veel politie overal en een bon van 20 dollar gekregen voor te hard rijden: 74 waar ik maar 60 mocht. Die roadblocks van de politie staan om de 40 kilometer of zo en dat wordt na een tijdje strontvervelend.  Meetal werden we doorgewuifd, maar af en toe moesten we stoppen en aan de kant om de auto, de papieren en mijn rijbewijs te laten checken. De max. snelheidsborden zijn met opzet geplaatst om je te verwarren en in de val te laten lopen: kassa, 20 dollar!
 
We logeerden in het Travellers Guesthouse in een buitenwijk van Bulawayo; weer een aardige lodge, van Alexandra Visser uit Holland maar die was er zelf niet.
 
Vroeg op de volgende dag en verder naar de Sikumi Tree Lodge bij het Hwange National Park. Een kort ritje dacht ik maar het was weer 300 km. En straks nog eens 200 naar de Victoria Falls. Waanzin, wie heeft dat eigenlijk bedacht, deze rijvakantie?


Onze cottage in the Sikumi Tree Lodge
Maar goed, eerst eens 3 dagen uitrusten in de lodge, mooi gelegen aan de rand van een ¨vlei¨,  met uitzicht op een waterhole waar de hele dag lang allerlei dieren even goeiedag kwamen zeggen en een slokje drinken. De lodge is in Afrikaanse stijl gebouwd van houten palen en strodaken en de `cottages` staan op palen. En een Nederlandse gastvrouw: Marleen Post. Erg vriendelijk en aardig, net als al haar personeel, maar we hadden de pech dat de waterpomp de nacht daarvoor door de bliksem was getroffen. En dat ze het in vier dagen niet voor elkaar hebben gekregen om ze te repareren of vervangen. En pas na twee dagen op het idee kwamen om een tankwagen met water te bestellen.
 
Maar het wild, en vooral de lokale cheetah, deed erg zijn best om het ons naar de zin te maken en de ongemakken te laten vergeten. Op onze eerste game drive vonden we hem liggend in het gras en ging hij ook even mooi zitten voor de foto. Op de volgende drive vonden we hem op de weg en wandelde hij voor de camera wat op en neer, maar de derde keer maakte hij er echt een show van en ging mooi zitten poseren op een tak van een omgewaaide boom. Zie de foto bovenaan.


Het leukste wild was een groepje van zes Ground Hornbills, in een rijtje achter elkaar voortstappend in het gras en onderwijl zingend: bin bin, di-di dom dom, bin bin di-di dom dom. Iemand vond dat ze op een groepje zwart geklede advocaten leken, maar mij deden ze denken aan een groepje zwarte paters op bedevaart.
 
Maar de spannendste ervaring, die ik nooit zal vergeten, was toen we plotseling midden in een kudde olifanten terecht kwamen en ze letterlijk aan konden raken. Ruby en Claudia doodsbang, durfden nauwelijks te kijken, maar ik heb een oude dame over haar rimpelige buik geäaid.

Zó dichtbij!!!
 Verder viel het eigenlijk wat tegen met het wild maar dat kwam, zeiden ze, omdat het pas geregend had, het gras hoog stond en er overal genoeg water was. Als je achteraf de foto`s bekijkt krijg je het idee dat er achter elke boom wel een buffel, impala, zebra, kudu, sabelantilope, jakhals of giraf stond, maar we reden soms wel een uur door de bush zonder een kip te zien.
 
Hwange is de enige plaats (meen ik) waar hyenahonden, of wilde honden, of painted dogs, voorkomen maar die hebben we niet gezien. Niet in het wild tenminste, maar wel in het het Painted Dog Conservation Centre, een organisatie die o.a. met steun van de Beekse Bergen werkt aan hun overleving.
 
We trokken op en raakten bevriend met twee Zim families en met Garry uit Zuidafrika, manager van Rainbow/Touch the Wild, de eigenaren van de lodge.
 
De avond voor ons vertrek vonden we in onze kamer een fles champagne en briefje van Marleen waarin ze haar excuses aanbood voor het ongemak en ons de game drives en de bar bill kwijtschold.
 
24 december: nog eens 200 km rijden en toen waren we, na 5 uur vliegen en twee dagen rijden eindelijk bij het hoofddoel van de reis: Victoria Falls. Inchecken in het Rainbow Hotel, eindelijk weer eens douchen, lunchen en op stap naar de grote douche. En hoe was die? Indrukwekkend, al stroomde hij maar op halve kracht deze tijd van het jaar. Je kunt er voor langs lopen en de Zambezi over een front van 1700 m breed 100 m omlaag zien storten. Kolkende, bruisende, spetterende massa`s water, oorverdovend geraas, wolken van spray, honderden meters de lucht in en overal regenbogen. Prachtige foto`s. De wandeling begint bij het monument van Livingstone en eindigt bij de Livingstone brug die Zimbabwe verbindt met Zambia. Wie durft kan daarvanaf bungi jumpen.
 
Alles gezien en geknipt en terug naar het hotel, opfrissen en naar het kerstnachtdiner bij The Boma, een gigantische Afrikaanse constructie waar we ondergedompeld werden in de Afrikaanse cultuur: Matabele schilderingen, dansers, zangers en trommelaars en tussendoor de buik vulden met geBBQde stukjes kudu, wrattenzwijn, struisvogel en krokodil. Heel anders toch dan een nachtmis in de kerk.
 
Geen witte kerst dit jaar, maar wel een hete. Daarom hebben we er maar een luie dag van gemaakt met `s middags een bezoek aan een krokodillenfarm en `s avonds een kerstdiner aan de oever van de Zambezi, samen met Garry, dezelfde van de Sikumi lodge.
 
Tweede kerstdag: reis naar Matopos, via Bulawayo, 500 km. Weer een bon voor te hard rijden en een stuk verder nog een omdat ik een wielmoer miste. Op verschillende plaatsen biddende, in het wit geklede mensen in de bush, lemen hutten met strodaken, koeien voor de ploeg, ezeltjes voor de kar.
Aankomst in The Farmhouse, en ik vermoedde het al, maar hier zijn we 12 jaar geleden ook al eens geweest. Vanuit Mozambique toen en behalve de prijs is er weinig veranderd.
 
27 December hebben we in de Matopos doorgebracht, absoluut het mooiste park van de wereld, een magisch landschap, bewoond door draken, eenhoorns, reuzen, kabouters, elven en feeën, al zijn we die die dag niet tegengekomen. Het moet gemaakt zijn door een reus die met zijn blokkendoos heeft zitten spelen en overal rotsen op elkaar heeft gestapeld. Sommige stapels lijken elk moment in elkaar te kunnen vallen, maar ze staan zo al duizenden jaren dus het zal wel meevallen. Interessant zijn ook de tekeningen van jachttaferelen die je hier en daar in grotten kunt zien, duizenden jaren geleden gemaakt door de bosjesmannen die toen in dit gebied woonden.

Midden in het park ligt het graf van Cecil Rhodes naar wie Rhodesië genoemd was. Het ligt boven op een granietheuvel, omringd door granieten knikkers van zo’n 200T/stuk schat ik. Daar scheen de zon even en kon ik mooie foto’s maken met een blauwe achtergrond, maar de rest van de dag was bewolkt. Doodzonde want daardoor zijn de meeste foto`s tamelijk vlak en kleurloos.
  
Geluncht in The Matopos Hill Lodge die Garry ons aanbevolen had. Schitterende lodge inderdaad maar de kok moet nog wat bijlessen hebben want hij serveerde verreweg de slechtste lunch van de hele vakantie: gebraden schoenzool en spaghetti met smeerolie. Toch nog 10 dollar/persoon.
 
28 december: 500 km terug naar Harare. Bij Gweru, na 200 km, ligt het Antelope Park en daar zijn we even gestopt om te lunchen en om een ritje te maken op een olifant. Een brede rug hebben die beesten en je benen moeten ver uit elkaar. Ik vroeg een vrouw waarom ze niet meeging, maar ze had het al eens gedaan, zei ze, en had daarna een week pijn in haar kruis gehad. Ze zal toch niet met die olifant .........? Nee, dat is onmogelijk.
 
Een paradijsje is het, het Antelope park, gelegen aan een meer en je kunt er allerlei spannende dingen doen: wandelen met leeuwen bijvoorbeeld, maar daar hadden we helaas geen tijd meer voor.
 
En de 29ste weer terug naar huis met Kenya Airways. Verwarring in het vliegtuig: onze stoelen waren twee keer verkocht en het vliegtuig zat tot de nok vol. Mijn plaats was bezet door een leuke meid en ik bood vrijwillig aan om bij haar op schoot te komen zitten. Zij wilde wel, geloof ik, maar de steward vond dat geen goed idee en in plaats daarvan gaf hij ons de laatste 3 lege plaatsen in de business class.
Op de kaart is het maar een stukje naar Nairobi, maar als je met een vaart van 1000km/u uur na uur savanne onder je kont door ziet glijden dan realiseer je je weer eens hoe groot en hoe leeg Afrika is.
 
We kwamen precies op tijd in Entebbe aan en braken daar een wereldrecord vermoed ik: als eersten bij de Immigration balie, daar binnen een halve minuut doorheen, doorlopen naar de bagageband en daar kwamen onze koffers al aanrollen!!! Vijf minuten na de landing stonden we buiten!!!
Daar stond Peter, onze taxi chauffeur, ons al op te wachten om samen met ons in de file aan te schuiven en ons een uur later thuis af te leveren.